Spookkasteel in de tuin

’t Is weer de moment van het jaar. Iedereen griezelt in de periode rond Halloween. Wij doen dat nu.

In het vogelboske hangen slierten en webben. Jakkes! Sommige struiken zijn zelfs helemaal kaalgevreten. Het is een troosteloos en griezelig gezicht. En toch kan dit helemaal geen kwaad.

Hier is de kardinaalsmutsstippelmot aan het werk geweest. Dit is een klein wit nachtvlindertje met zwarte stippen. Je kan de vlinder waarnemen tussen eind juni en eind augustus. Dan legt die eitjes in onze kardinaalsmuts struiken. De eitjes overwinteren, er komen rupsen uit en nu, in mei tot eind juni zijn die actief.

Ze vreten onze struiken kaal en spinnen zich in draden om zichzelf tegen vijanden te beschermen. Dat is echt nodig. Hun grootste vijanden zijn kool- en pimpelmezen. En die zitten hier veel. Zij gebruiken de rupsen om hun jongen groot te brengen. Zo’n 50 tot 100 rupsen per jong vogeltje per dag plukken zij uit de struiken! Je begrijpt nu wel dat ik die rupsen koester he.

Eind juni zijn de mezen groot en hebben ze bijna alle rupsen opgegeten. Degenen die het gehaald hebben, zijn verpopt tot vlinder, leggen eitjes en zorgen zo voor voedsel voor de mezen voor volgend jaar. De struiken zijn weer ‘proper’ en krijgen terug blad. Na enkele weken staan ze terug gezond en frisgroen alsof er niks gebeurd is. Wonderlijk toch hè.

Vorige week sprak de buurman me enigszins bezorgd aan. Dat er buxusrupsen en spinnenwebben in zijn jong appelboompje zaten. En wat hij nu moest doen. Aha, dit waren geen buxusrupsen maar nog een andere stippelmot: de appelstippelmot. Zelfde verhaal hier. De mezen die aan ’t opgroeien zijn in zijn nestkastje eten hen op. Alleen moet je bij jonge boompjes of struiken wel even opletten. Als alle blaadjes van zo’n jong exemplaar opgegeten worden, kan de plant wel sterven. Om dat te voorkomen, kan je even de tuinslang op de klusters richten of hen handmatig uit je boompje plukken.

Dat het allemaal een kwestie van evenwicht is eigenlijk hè … en dat we zonder chemische bestrijdingsmiddelen dat evenwicht het best kunnen bereiken …

foto Koen Goossens

Een zwoele nacht

We hadden afgesproken, de Natuurpuntvriend en ik, dat we het de eerste warme zomernacht eens gingen doen in mijn tuin.

Zaterdagavond 1 augustus kwam hij met zijn fiets den hof opgereden. Hij had mee: een houten bak, een transformator en een hele straffe kwikdamplamp. We gingen nachtvlinders tellen.

Alles geïnstalleerd, ik vertrok voor de nachtshift naar mijn werk en we spraken af de volgende ochtend om kwart na zeven terug samen te komen om te kijken welke vlinders er in de bak zaten.

De zonen zakten die avond nog efkens door op het terras en hadden veel plezier met de interesses van hun zotte moeder. Ze gingen wedden hoeveel vlinders ze gevangen had. De ene zei 30 exemplaren, de andere gokte op 32. Maar toen ze een paar biertjes later eens gingen kijken, moesten ze vaststellen dat ze het toch wel serieus onderschat hadden.

Het ‘takje met pootjes’ rechts bovenaan is Wapendrager – Phalera bucephala.
Slimme camouflage hè!

De volgende ochtend arriveerde ik als eerste aan de lichtval. Wat daar allemaal in en op en rond zat! Wauw! Zo veel soorten vlinders bij elkaar had ik nog nooit gezien, echt prachtig! Ik moest effenaf lachen met de Natuurpuntvriend die even later aankwam. Zoals een kind in een snoepwinkel kon hij zijn plezier en ‘contentement’ niet verbergen.

Kleine beer – Phragmatobia fuliginosa (roodachtig vlindertje in ’t midden) en Karmozijnrood weeskind – Catocala sponsa (grote bovenaan)
Dennenpijlstaart – Sphinx pinastri
Groot avondrood – Deilephila elpenor

Zelfs twee ‘Spaanse vlaggen’, (vroeger zeer zeldzaam in Vlaanderen, nu meer verspreid én Europees beschermd) zaten bovenop de bak. Het was voor de Natuurpuntvriend de eerste keer dat hij ze ‘live’ zag en hij heeft op Waarnemingen.be nochtans 30 312 waarnemingen op zijn naam staan. Ge kunt u dus wel voorstellen dat ik fier was op onze tuin.

Spaanse Vlag – Euplagia quadripunctaria
even aanporren om zijn binnenkant te laten zien …

We telden 45 soorten nachtvlinders en om het aantal exemplaren te tellen, daar was gewoon geen beginnen aan. Al die fladderende, wriemelende beestjes; het waren er zeker een nulletje meer dan wat de zonen gegokt hadden.

Het op naam brengen van al die beestjes was een plezant werkje. De Natuurpuntvriend is een wandelende natuurencyclopedie en voor de beestjes waarvan hij de naam niet wist, had hij een nachtvlindergids bij.

Alle 45 namen ga ik hier niet opsommen. Ik vermeld gewoon diegene die ik het mooist vond klinken: Glad beertje, Schedeldrager, Karmozijnrood weeskind (een zeldzame blijkbaar), Hageheld, Schaapje, Kleine breedbandhuismoeder, Bleke grasuil, Parelmoermot (vond ik grappig), Goudvenstertje, Peper-en-zoutvlinder, Kameeltje, Lieveling, Brandnetelkapje, Donker klaverblaadje en nog zoveel meer.

Tegen mij moet je nu echt niet meer zeggen dat motten mottig zijn! Als ik tussen al die vlinders mag kiezen wat ik de allermooiste vond, neem ik de Zilveren groenuil. Een prachtig aaibaar beestje!

Zilveren groenuil – Pseudoips prasinana