Oorlogsvoedsel?

Dat was de bedoeling: tien kuikens die ik zou opkweken. De kippen voor de eieren en de hanen voor het vlees. Ik ging mij daar niet aan hechten.

Ze waren al enkele dagen oud toen ze hier aankwamen, dus bang en schuw. Eerst sliepen ze in de living en als ze wat groter werden, in de garage in een konijnenhok.

Zondagavond waren we aan het aperitieven en jongste zoon vertelde hoe één van zijn vrienden bijna over mijn kuikens in de garage gevallen was. Nochtans een toffe gast hoor. Zo ene met dreadlocks die in een tiny house op recreatiegrond wil gaan wonen. Weet je wat die zei?! “Ja, uw ma, dat is ook een ‘zweefteef’ hè.” Ik verslikte mij begot in mijn zelf gebrouwen gin-tonic en de rest van het gezin gierde het uit.

Maar die ‘zweefteef’ heeft nu wel een probleem. Die tien asociale kuikens zijn nu zo’n zelfbewuste en aanhankelijke pubers geworden. Ondertussen wonen ze in het kippenhok en ze gebruiken al hun charmes. Een zieke kip uit haar lijden verlossen of een kwaaie haan in de pot draaien, dat kan ik. Maar deze schatjes?

Als ze mijn stem horen, komen ze alle tien aangevlogen. Ze kunnen maar niet genoeg krijgen van het scharrelen in het gras en als er ene een dikke pier gevonden heeft, is het kermis. Ik heb van hen ook al iets geleerd: als je pubers op de juiste manier aanpakt, willen die wél helpen. Het veldje schijnaardbei en kruipende boterbloem dat ik in het kippenhok vond, was met ons elven rap opgekuist.

Gaan slapen, dat is net zoals bij alle pubers, niet zo gemakkelijk. Ze hebben het deurtje van het nachthok nog niet gevonden. Maar als ik er dan aan ga zitten en hen roep, komen ze alle negen aangelopen en springen ze langs het trapje naar binnen. Eentje niet, dat is onze ‘dweize kiek’ (dwarse kip voor de Nederlanders 😉 ). Ze is de kleinste, is al enkele keren uitgebroken en ons alle hoeken van den hof laten zien.

Het is weer heel plezant, al dat jong leven hier. Ik vind dat Poetin er echt wel mag mee gaan ophouden. Want oorlogsvoedsel, dat gaan ze niet worden, denk ik.

Poule de Bresse

Eerst effe een bekentenis: ik durf niet op de autosnelweg rijden. Werk er wel aan momenteel maar het blijft moeilijk.

Mensen durven zich daar wel eens vrolijk over maken. Als ik het al te gortig vind worden, zeg ik dan: “Durft gij een kieken slachten?” Dan stoppen ze wel met lachen. Allee nee, meestal lachen ze dan nog harder. Maar ik vind dat nuttiger dan op de autosnelweg durven rijden. Want als het oorlog wordt en het voedsel heel duur, zal ik eten hebben en zij niet. Zover mijn redenering.

Ik heb het ook niet zonder slag of stoot geleerd hoor. Als ‘kippenmoeder’ had ik af en toe zieke dieren die ik niet meer kon redden. Die dan laten creperen, vond ik vreselijk. Dan dacht ik aan hoe ik als student verpleegkundige de eerste keer een bloedafname bij een patiënt moest doen. Dat was ook vreselijk maar nodig. Als ik durfde bloed prikken bij mensen moest ik ook zieke kippen uit hun lijden durven verlossen, vond ik.

En toen hadden we die ene jonge haan die iedereen die maar in de buurt durfde te komen, aanviel. Het werd zelfs gevaarlijk voor onze peuterdochter. Een collega, ‘poeliersdochter’ heeft me toen geleerd een haantje ‘panklaar’ te maken. We hebben coq au vin van hem gemaakt. Zo’n fijn en lekker vlees kan je eigenlijk niet kopen. Sinds dan durf ik slachten. Niet dat ik het graag doe maar nood breekt wet.

En nu is het oorlog in Europa. En zag ik op de Tweedehands site een berichtje over poule de Bresse kuikens passeren. Ze waren enkele dagen oud en konden verder opgekweekt worden. De hennen voor de eieren en de haantjes voor het vlees. Ik heb tien kuikens gekocht.

Eerst zaten ze onder een warmhoudplaat in de living. Nu slapen ze in een konijnenhok in de garage. Overdag zitten ze onder een rennetje in het gras. Het rennetje is nog effe nodig om hen tegen eksters te beschermen.

Deze morgen ging ik met het hok in de handen naar buiten. O jee! In het vervolg moet ik de onderkant vasthouden. De bak schoot los en tuimelde op de grond. Ik had alleen de bovenkant nog vast en de kuikens fladderden naar alle kanten. Er bleven er vier verbaasd ter plaatse trappelen. Drie pubers repten zich richting Buggenhout. En drie sloebers schoten in de loop naar Steenhuffel. Daar ging ons oorlogsvoedsel.

Het ras Poule de Bresse is ontstaan in Frankrijk. De kippen hebben een rode kam, witte veren en blauwe poten, de kleuren die voorkomen in de Franse vlag. Ze groeien snel en met vier maanden zijn de hennen al aan de leg.

Dankzij de chicken run op zondagochtend was ik direct wakker. Van mij mogen ze snel groeien. Dan kunnen ze zo vlug mogelijk gewoon bij de andere kippen in de tuin.

Hoe Apodemus het hazenpad koos

Ik hol nog steeds achter de feiten aan door dat ene project. Maar gisteren was het er uiteindelijk toch van gekomen om de serre winterklaar te maken. Een maand te laat, ik weet het. Het enige wat ik nu nog kon proberen, was pluksla en veldsla zaaien.

Eerst begon ik met de laatste tomaten en komkommers te oogsten. De gele bes tomaat had niet zo goed opgebracht, vond ik. Nochtans hadden er veel bloemetjes op de struik gestaan. Tijdens het opruimen van de struiken zag ik ineens hoe de grond omgewoeld was en met een bergje lag.

Mmm, toch maar eens met mijn riek in geprikt. Vliegensvlug sprongen daar drie pluizige beestjes uit. Twee ervan vonden direct de weg door de open deur. De derde sprong, holde zichzelf voorbij en zoefde steeds voorbij de deur. Het beestje was helemaal in paniek. Hij had een glimmende, gezonde vacht met een beetje een rosse schijn. Dat kon ik al waarnemen terwijl hij me steeds maar voorbij rende.

Uiteindelijk, helemaal buiten adem kwam hij in een hoekje van de serre terecht. Voorzichtig bukte ik me en vroeg zijn naam. Hij antwoordde niet maar bleef me brutaal met zijn donkere oogjes aankijken. Dan maar een foto genomen en Waarnemingen.be vertelde me dat hij Apodemus sylvaticus heet.

Apodemus vertrouwde het echt niet. Trillend bleef hij me in ’t oog houden en ik hem. Het was een man, dat wist ik zeker. Want omdat ik zo bleef staren, werd ie helemaal onzeker. Hij begon zijn schattige handjes te wassen. Wilde hij een goede indruk maken op mij? Of zou hij me nu terstond een pandoering willen geven? Voorzichtig schuifelde ik een beetje dichter. Zoveel avances had ik niet mogen maken want Apodemus sprong op, liep vliegensvlug weg en verstopte zich onder een blaadje in de serre.

Daar moest ik geen moeite meer in steken, die zou ik toch nooit over zijn angst voor vrouwen heen krijgen. Dus besloot ik hem maar te negeren en ging ik terug verder tomaten plukken.

Apodemus deed me denken aan ‘Circle of life’ uit The Lion King. Hij hoort erbij. In het wild leeft hij ongeveer een jaar en staat op het menu van bosuilen en wezels. Maar ook vossen, marterachtigen, kerkuilen en ransuilen lusten hem. Die komen hier allemaal in den hof. Hijzelf is een opportunist en eet wat hij kan vinden. Maar hij eet ook slakken! In Groengenot zijn dat de enige beesten die een beetje té overvloedig aanwezig zijn.

Op een bepaald moment had Apodemus toch de deur gevonden. Want toen ik even opkeek door het raam, zag ik hem door den hof ‘sjeezen’. Hij had het hazenpad gekozen. Of was het het ‘bosmuizenpad’?

Katleen de kip

Eigenlijk heet ze voluit Katleen 2.0 want ik had al eens een Katleen toen ik tien jaar oud was.

Een foto van haar vind je hier. Katleen was een klein ‘Engels’ kipje dat ik tam gemaakt had. Ik ging met haar enkele jaren na elkaar naar de kinderjaarmarkt in Opdorp en kreeg steeds de eerste prijs. Op zo’n jaarmarkt werden alle dieren in een hokje gezet maar ik zette mijn kipje er bovenop. Het hokje zelf versierde ik met tekeningen en verhaaltjes en een heuse stamboom van onze kippen. Katleen mocht samen met de buurmeisjes en mij daar naartoe wandelen. We droegen haar in onze armen en dat vond die knuffelkip het allerleukst. Af en toe zetten we haar eens in de ‘graskant’ om haar behoefte te kunnen doen. 🙂

Sinds vorig jaar heb ik terug ‘een Katleen’. Deze keer is het een wit zijdehoentje. De kuikens die ik zelf kweek, zijn nogal handtam. Samen met moeder kip slapen ze in het tuinhuis in een hokje. Elke dag neem ik ze uit dat hokje en zet ze in een rennetje op het gazon. Daardoor zijn ze het gewoon om opgepakt te worden.

Katleen is een speciale. Als kuiken was ze al ‘haantje de voorste’. Ze was de kleinste van den hoop maar ze wist steeds eerst de lekkerste hapjes te bemachtigen. Deze winter verbleven de zijdehoentjes in de serre omwille van de vogelgriep. Als ik daar binnenkwam, kon ze niet rap genoeg bij mij zijn. Regelmatig botste ze gewoon tegen me op! Zo lomp dat dat klein geval was!

Katleen is zeer vrijgevochten. ‘Blijf in uw kot!’, da’s niet aan haar besteed. Onder de poort heeft ze de draad een beetje weggeduwd zodat er een gaatje ontstaan is waar zij alleen door kan. De haan vindt dat niet tof en als hij haar aanstalten ziet maken om erdoor te kruipen, pikt hij in haar staart. Maar dat trekt ze zich lekker niet aan hoor.

Als wij in de tuin komen, zien we haar een spurt trekken om zo snel mogelijk bij ons te zijn. De lieve wederhelft zegt dat ik haar een helmpje en pilootbrilletje moet kopen. Ze gaat echt eens op haar bek gaan, vrezen we.

Als we ’s avonds op het terras zitten, komt ze gezellig erbij. Bedoeling is dat ze naast de hond op de grond blijft. Gelukkig kan ze niet vliegen want ze zou zo graag ook in de zetel zitten. Reikhalzend met een draaiend kopje staat ze steeds te zoeken hoe ze daar toch zou in geraken. Als de hond dan nieuwsgierig wordt en haar besnuffelt, krijgt die een pik in de neus. De erge tik!

Enkele weken geleden heeft ze een vreselijk avontuur beleefd. We waren haar bijna kwijt. Karen, de vriendin waarmee ik ons boek schreef, was hier met haar hond Kiah. Onze hond Swenga en Kiah kunnen heel mooi samen spelen. We laten ze dat dus heel regelmatig doen. Maar Kiah is geen kippen gewoon. En dat wist ons Katleen niet. Ze was dus toch weer terug onder de poort geglipt. Ineens zagen wij Kiah wegspurten en hoorden we vlak daarna een vreselijke schreeuw. We holden naar van waar het geluid kwam, zagen daar een spoor van witte, donzige pluimpjes en Katleen in de bek van Kiah.

Alles gebeurde in een fractie van een seconde. Ik sprong naar de hond, trok Katleen uit haar bek en die hing half verdoofd te hijgen in mijn handen. De helft van haar pluimen weg, bijtwonden op haar rug en buik en een darm die uitpuilde. Die kon ik voorzichtig terugduwen en toen kwam ze bij. Coleirig dat ze was! Ze begon terug te schreeuwen, precies of ik kon er aan doen dat dit haar overkomen was. Het kieken!

Zo kon ze echt niet meer terug in het kippenhok. De wonden, daar zouden vliegen naartoe komen en ze zouden infecteren.

Karen, die was ondertussen helemaal van haar melk. Razend kwaad op haar hond en bijna huilend vroeg ze of ik nu kwaad was op haar. Allee! Ik ging toch niet een kieken tussen ons laten komen?! Die arme Kiah had ook alleen maar haar instinct gevolgd. Ik had er moeten aan denken dat Katleen niet in haar kot kan blijven.

Tijd voor actie dan. Katleen werd in een badje met babyshampoo gezet. Haar verwondingen vielen wel mee, zag ik. Die werden goed ontsmet en regelmatig ingesmeerd met een desinfecterende zalf die ik nog had van de hond. Ze mocht zelfs op hotel: in een konijnenhok in de living, op de hondenbench naast de valkparkiet van jongste zoon. (Die kan nu ook kakelen zoals een kip) Haar pluimpjes waren dankzij de babyshampoo stralend wit en mooi donzig geworden. “Alleen spijtig dat er maar zo weinig meer opstaan”, zei de lieve wederhelft. Ambiance hoor, zo’n kieken in huis 😉

“Bewijs dat ik me beter voel. Alleen ik kan zeggen dat ik een ei gelegd heb in de living. 😉 “

Katleen is helemaal hersteld nu. Ze draaft terug door de tuin en heeft het hoogste woord. Samen met mij wieden, vindt ze helemaal gezellig. Ik de ongewenste plantjes, zij de miereneitjes, slakjes en andere lekkere beestjes. Hebben jullie eigenlijk kippen? Ik zou ze niet meer kunnen missen!

Spookkasteel in de tuin

’t Is weer de moment van het jaar. Iedereen griezelt in de periode rond Halloween. Wij doen dat nu.

In het vogelboske hangen slierten en webben. Jakkes! Sommige struiken zijn zelfs helemaal kaalgevreten. Het is een troosteloos en griezelig gezicht. En toch kan dit helemaal geen kwaad.

Hier is de kardinaalsmutsstippelmot aan het werk geweest. Dit is een klein wit nachtvlindertje met zwarte stippen. Je kan de vlinder waarnemen tussen eind juni en eind augustus. Dan legt die eitjes in onze kardinaalsmuts struiken. De eitjes overwinteren, er komen rupsen uit en nu, in mei tot eind juni zijn die actief.

Ze vreten onze struiken kaal en spinnen zich in draden om zichzelf tegen vijanden te beschermen. Dat is echt nodig. Hun grootste vijanden zijn kool- en pimpelmezen. En die zitten hier veel. Zij gebruiken de rupsen om hun jongen groot te brengen. Zo’n 50 tot 100 rupsen per jong vogeltje per dag plukken zij uit de struiken! Je begrijpt nu wel dat ik die rupsen koester he.

Eind juni zijn de mezen groot en hebben ze bijna alle rupsen opgegeten. Degenen die het gehaald hebben, zijn verpopt tot vlinder, leggen eitjes en zorgen zo voor voedsel voor de mezen voor volgend jaar. De struiken zijn weer ‘proper’ en krijgen terug blad. Na enkele weken staan ze terug gezond en frisgroen alsof er niks gebeurd is. Wonderlijk toch hè.

Vorige week sprak de buurman me enigszins bezorgd aan. Dat er buxusrupsen en spinnenwebben in zijn jong appelboompje zaten. En wat hij nu moest doen. Aha, dit waren geen buxusrupsen maar nog een andere stippelmot: de appelstippelmot. Zelfde verhaal hier. De mezen die aan ’t opgroeien zijn in zijn nestkastje eten hen op. Alleen moet je bij jonge boompjes of struiken wel even opletten. Als alle blaadjes van zo’n jong exemplaar opgegeten worden, kan de plant wel sterven. Om dat te voorkomen, kan je even de tuinslang op de klusters richten of hen handmatig uit je boompje plukken.

Dat het allemaal een kwestie van evenwicht is eigenlijk hè … en dat we zonder chemische bestrijdingsmiddelen dat evenwicht het best kunnen bereiken …

foto Koen Goossens

Spannende verrassingen in de tuin

Een zacht en schattig gepiep, dat deed me voorbije zaterdag op zoek gaan.

Het kwam van aan de poel. Al turend door het hoge gras, viel mijn oog ineens op hen: een eend met twaalf kuikens. Haha, ik had het nog gedacht. Sinds enkele maanden kwam hier steeds een koppeltje ‘romantisch doen’. Maar nu was vader nergens meer te bekennen. Misschien omdat de horeca terug open is?

Gisteren waren ze er weer. Het wieden in de fruitkooi met dat gefrunnik en gepiep van het klein grut op de achtergrond, was effenaf gezellig.

En dan … ’s Avonds rond een uur of elf ga ik steeds mijn kippen ‘in hun bed leggen’. De zijdehoenders willen voor ze gaan slapen, steeds nog wat op hun terras zitten. Genieten van de zonsondergang en van de merel zijn avondlied. Maar dan vallen ze daar in slaap en da’s te gevaarlijk in een biodiverse tuin. Ik steek ze dan in hun kot en doe het deurtje dicht.

Op weg naar het kippenhok, hoorde ik in de verte moeder eend luid snaterend van haar oren maken. Welke kleine was er nu al te laat thuis gekomen? Of zat er een kat misschien? Vlug mijn zaklamp genomen en eens poolshoogte gaan nemen. Was me dat verschieten zeg! Anderhalve meter van mij (ja echt! Coronaproof!) zat in het hoge gras een vos! Ik scheen met mijn lamp op zijn kop (een prachtige kop trouwens, met schattige oortjes) en hij had het niet eens door. Zo geconcentreerd was hij op zijn prooi.

Ik voelde me zoals op safari in Afrika. Ontmoetingen met wilde natuur vind ik zo spannend. Moeder eend was naar het midden van de poel gezwommen en haar kuikens wriemelden rond haar heen. De kop van het vosje volgde en ik zag hoe hij zijn spieren opspande. Zou een vos kunnen zwemmen eigenlijk? Ik hield mijn adem in maar toen ik zag dat hij wilde springen, was het sterker dan mezelf. Heel instinctief riep ik ‘Hey!’. Voor mijn ogen een moord laten gebeuren, dat lukte niet. Vosje sprintte als een pijl uit een boog weg en op het water keerde de rust weer.

Allee! Wat had ik nu gedaan?! Zo ingegrepen in de natuur! Nu moest het beestje met honger terug de nacht in. En dertien eenden op onze poel, dat kan toch nooit goed komen? Er zitten wel veel dikkoppen van padden in het water maar die populatie zal snel uitgedund worden met al die hongerige snaters.

In bed vroeg de lieve wederhelft: ‘Zou hij deze nacht terugkomen?’

Deze morgen ben ik nog in pyjama direct eens gaan kijken. Alle eendjes zwommen in het water. Vrolijk piepend en moeder eend druk in de weer om haar kroost bij elkaar te houden. Oef …

Vlijtige meisjes

Zaterdagmiddag ontdekte ik de eerste honingbij op onze krokussen in de voortuin. Vlug een berichtje naar mijn collega gestuurd: “Zijn jullie dametjes al wakker?” Zij en haar man hebben bijen.

“Jazeker!” antwoordde ze. “Eens boven 12°C vliegen ze. Meestal is dat deze periode rond en net na de middag. Ze vliegen vooral op krokussen, sneeuwklokjes en hazelaar.”

Zondagnamiddag was het daar effenaf een party in de voortuin. Tientallen honingbijen vlogen af en aan. Ik ben er met mijn neus bovenop gaan zitten. Gulzig dat ze waren! Dikke stuifmeelbrokken hingen aan hun pootjes. Hun gezellige gezoem, deed me zo deugd.

Ik heb er een filmpje van gemaakt en doorgestuurd naar mijn collega. Super enthousiast was die. “Ze zijn er zo zwaar mee geladen dat ze bijna niet meer kunnen vliegen!” stuurde ze.

Deze krokussen (Vanguard bio) stopte ik in het najaar van 2018 in de grond. Het zijn verwilderingsbollen en ze zijn inderdaad al serieus vermeerderd. Ik ben zo blij dat de bijen er zo zot van zijn. Want biobloembollen, dat wil zeggen dat ze niet met gif behandeld zijn. Verzamel maar vlijtig dit gezonde stuifmeel meisjes!

Jan de ekster

Ik denk dat ik zo’n jaar of twaalf, dertien was toen er voor ons huis een aftandse jeep stopte.

(foto van freepik)

Een collega van mijn vader stapte uit. Ne ‘rare’ volgens hem want hij ‘ hing altijd rond in de bossen’. Blijkbaar had hij aan de man verteld over mij, zijn dochter, dat ik ook een rare ben. Ik had heel graag een hond of kat gekregen maar ons moeder was onvermurwbaar. Dus had ik een kipje tam gemaakt. Zij werd als kuiken verstoten en ik nam haar onder mijn vleugels. Ze volgde me overal en meestal vond men ons samen in de tuin. Ik zittend in het gras met mijn neus in een spannend boek en mijn kipje gezellig op mijn schoot. Ze was zelfs zindelijk. Daar had ik mijn latijn moeten insteken want ik kreeg steeds onder mijn voeten als ik met een kleedje vol kippenstr… naar huis kwam. 😉

Maar, die rare collega die uit de jeep stapte dus …

Ik moest eens komen kijken want de man had iets voor mij. Hij had een jonge ekster gevonden, op de grond, uit het nest gevallen. Of ik die net zoals mijn kipje kon grootbrengen? Wauw! Natuurlijk! Ik hield hem in een doosje en gaf hem allerlei lekkere hapjes. Wat ik hem gaf, weet ik niet meer maar hij groeide goed. Ik leerde hem mee naar buiten gaan, eerst huppelen door het gras. Later vloog hij zelfs. Maar hij bleef in de buurt. Ik gaf hem een naam: Jan. Vader maakte een hokje voor hem maar lang heeft hij daar niet in geslapen.

Hij werd volwassen en sliep liever in de bomen. ’s Morgens als het licht in de badkamer aanging, kwam hij op de vensterbank zitten. Hij tikte met zijn bek tegen het raam en kraste de twee woordjes die hij kende: “Kom” en “Jan”.

In die tijd ging ik met de bus naar school. Hij vloog mee naar de bushalte, wachtte tot ik op de bus stapte en vloog terug naar huis. Daar ‘ambeteerde’ hij ons moeder. Als ze de was aan de wasdraad wilde ophangen, pikte hij de wasspelden uit haar handen. Of die keer dat hij met onderbroeken van de buren naar huis kwam, daar kon ze echt niet mee lachen. Wij wel …

Hij wist goed wanneer de bus terugkwam. Dan vloog hij naar het kruispunt en ging zitten wachten op één van de daken. Met geschreeuw werd ik steeds verwelkomd. Roefelen in mijn haar, vond hij geweldig. Of op mijn schouder zitten en zo mee naar huis gaan …

Hij was een slimmerik en een deugniet. Jaren en jaren bleef hij bij ons. Tot hij op een bepaalde dag verdwenen was. Veel mensen hebben toen naar hem gezocht. Zelfs de vrouw die wekelijks met de groentekar kwam, keek op haar ronde naar hem uit. “Hij zal een lief gevonden hebben.” zei ik toen tegen iedereen.

Hoe het komt dat ik daar nu ineens aan terugdenk? Gisteren zag ik een toffe film op Netflix: ‘Penguin Bloom’. Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een ongeluk en een gevonden ekster. Echt een aanrader!

Ophokplicht

’t Is weer van dat! De vogelgriep is in ons land. Sinds 1 november moesten professionelen hun pluimvee ophokken. Maar vorige vrijdag zijn in het VOC in Oostende drie wilde vogels binnengebracht die positief testten op het virus. Dus nu moeten particulieren ook hun kippen, duiven en ander pluimvee binnen of afgeschermd van wilde vogels houden.

Toeme toch, gedaan met vrolijk en vrij buiten scharrelen. Wij in Corona-quarantaine en onze kippen in vogelgriep-quarantaine. Waar gaat dat toch naartoe?

De legkippen moeten nu in hun woonwagen blijven, ook overdag. De zijdehoentjes, die daar normaal ook slapen, heb ik nu in de serre gezet. De spinazie en veldsla die daar stond, daar hebben ze zich al tegoed aan gedaan. Ja zeh, ’t is erg genoeg voor de sukkelaars hè.

Gelukkig mag een knuffelcontact nog wel.

Aan zijn ‘franke ogen’ te zien, denk ik dat deze jongeling een haan zal worden.

Het droeve liefdesverhaal van Sieke en Fideel, kent ge dat nog? Ook voor hen is het nu gedaan met de pret. Sinds vorige winter vieren ze het leven in buurman zijn weide. Win-win voor iedereen: zij hebben terug gras (sinds de bomen in het vogelboske goed gegroeid zijn, is daar zoveel gras niet meer) én buurman moet zijn gras niet meer afrijden. Maar ook zij moeten nu binnen. Buurman stak zijn hoofd over de poort: “Hoe gaan we dat doen jong?”

Plezant was het in ieder geval wel! Met zijn tweeën door de weide draven, achter een koppel ganzen. Eens we ze in een hoek gedreven hadden, ging het snel. Snaterende, blazende bekken en klapperende vleugels, de pluimen vlogen ons rond de oren. Maar even later liepen we elk met een gans onder de arm, door onze straat.

Sieke en Fideel zitten nu in de fruitkooi. Ik ben er zeker van dat ze ’s nachts van hun groene weide dromen.

Enne, nu vind ik mijn duifje niet meer. Gisteren zag ik op tv dat er een duif voor 1,6 miljoen Euro verkocht is. Ze droeg ook zo’n groen ringetje gelijk de mijne. 😉

Het vogelgriepvirus zou al lang bij wilde vogels voorkomen. Maar de dieren hadden daar milde symptomen van: niet meer dan een ‘goei valling’. Maar griepvirussen kunnen muteren en super-virussen worden. Het H5N8 vogelgriepvirus dat nu de ronde doet is zo’n hoog-pathogeen virus. Wat zou nu toch de oorzaak zijn van al die miserie? Wilde vogels verspreiden het virus maar ik kan me moeilijk voorstellen dat bij hen deze gevaarlijke vorm ontstaan is. Ik denk niet dat daar al genoeg onderzoek naar gedaan is. Volgens sommigen ontstaan deze dodelijke griepvirussen in onze kippenfabrieken en legbatterijen. De mest afkomstig van deze bedrijven wordt op landbouwgrond verspreid. Wilde vogels scharrelen daarin en voilà, de cirkel is rond. Misschien toch niet zo goed bezig in onze gangbare landbouw?

Zot interludium: de mus

En toen zat er een mus in onze stoof!

Op een maandagmorgen, als iedereen vertrokken was en ik eens wat tijd voor mezelf gereserveerd had!

Ik moest dat beest toch eerst bevrijden! Ze vloog altijd maar tegen het raampje!

Maar … eigenlijk had ik de assen na vorige winter niet opgeruimd. En die mus hing al vol roet! En ’t is nu niet dat dat hier zó proper is, maar een roetmus tegen witte muren, ik zag het al gebeuren …

Dus voorbereidingen getroffen met een dekentje voor over het deurtje enzo …

En toen was de mus … weg! Terug naar boven in de schouw!

Wettewa? Dan schep ik eerst al die assen eruit en als ze terugkomt, is het er toch zo vuil niet. Goed plan toch hè?

Deurtje wagenwijd open en maar scheppen …

Komt daar ineens iets rond mijn oren gevlogen! De mus natuurlijk! Wat had je gedacht, slimmerik?!

Alle hoeken van ons huis heeft ze gezien … en ik ook!!!

Uiteindelijk tussen de zetel en de kast … heb ik ze kunnen pakken! Zo haar hartje bonken … en het mijne ook …

Heel triomfantelijk heb ik ze in de tuin laten vliegen. Vrolijk fladderde ze terug de vrijheid tegemoet. Oef! En nu ben ik van ’s morgens vroeg goed wakker 😉