Katleen de kip

Eigenlijk heet ze voluit Katleen 2.0 want ik had al eens een Katleen toen ik tien jaar oud was.

Een foto van haar vind je hier. Katleen was een klein ‘Engels’ kipje dat ik tam gemaakt had. Ik ging met haar enkele jaren na elkaar naar de kinderjaarmarkt in Opdorp en kreeg steeds de eerste prijs. Op zo’n jaarmarkt werden alle dieren in een hokje gezet maar ik zette mijn kipje er bovenop. Het hokje zelf versierde ik met tekeningen en verhaaltjes en een heuse stamboom van onze kippen. Katleen mocht samen met de buurmeisjes en mij daar naartoe wandelen. We droegen haar in onze armen en dat vond die knuffelkip het allerleukst. Af en toe zetten we haar eens in de ‘graskant’ om haar behoefte te kunnen doen. 🙂

Sinds vorig jaar heb ik terug ‘een Katleen’. Deze keer is het een wit zijdehoentje. De kuikens die ik zelf kweek, zijn nogal handtam. Samen met moeder kip slapen ze in het tuinhuis in een hokje. Elke dag neem ik ze uit dat hokje en zet ze in een rennetje op het gazon. Daardoor zijn ze het gewoon om opgepakt te worden.

Katleen is een speciale. Als kuiken was ze al ‘haantje de voorste’. Ze was de kleinste van den hoop maar ze wist steeds eerst de lekkerste hapjes te bemachtigen. Deze winter verbleven de zijdehoentjes in de serre omwille van de vogelgriep. Als ik daar binnenkwam, kon ze niet rap genoeg bij mij zijn. Regelmatig botste ze gewoon tegen me op! Zo lomp dat dat klein geval was!

Katleen is zeer vrijgevochten. ‘Blijf in uw kot!’, da’s niet aan haar besteed. Onder de poort heeft ze de draad een beetje weggeduwd zodat er een gaatje ontstaan is waar zij alleen door kan. De haan vindt dat niet tof en als hij haar aanstalten ziet maken om erdoor te kruipen, pikt hij in haar staart. Maar dat trekt ze zich lekker niet aan hoor.

Als wij in de tuin komen, zien we haar een spurt trekken om zo snel mogelijk bij ons te zijn. De lieve wederhelft zegt dat ik haar een helmpje en pilootbrilletje moet kopen. Ze gaat echt eens op haar bek gaan, vrezen we.

Als we ’s avonds op het terras zitten, komt ze gezellig erbij. Bedoeling is dat ze naast de hond op de grond blijft. Gelukkig kan ze niet vliegen want ze zou zo graag ook in de zetel zitten. Reikhalzend met een draaiend kopje staat ze steeds te zoeken hoe ze daar toch zou in geraken. Als de hond dan nieuwsgierig wordt en haar besnuffelt, krijgt die een pik in de neus. De erge tik!

Enkele weken geleden heeft ze een vreselijk avontuur beleefd. We waren haar bijna kwijt. Karen, de vriendin waarmee ik ons boek schreef, was hier met haar hond Kiah. Onze hond Swenga en Kiah kunnen heel mooi samen spelen. We laten ze dat dus heel regelmatig doen. Maar Kiah is geen kippen gewoon. En dat wist ons Katleen niet. Ze was dus toch weer terug onder de poort geglipt. Ineens zagen wij Kiah wegspurten en hoorden we vlak daarna een vreselijke schreeuw. We holden naar van waar het geluid kwam, zagen daar een spoor van witte, donzige pluimpjes en Katleen in de bek van Kiah.

Alles gebeurde in een fractie van een seconde. Ik sprong naar de hond, trok Katleen uit haar bek en die hing half verdoofd te hijgen in mijn handen. De helft van haar pluimen weg, bijtwonden op haar rug en buik en een darm die uitpuilde. Die kon ik voorzichtig terugduwen en toen kwam ze bij. Coleirig dat ze was! Ze begon terug te schreeuwen, precies of ik kon er aan doen dat dit haar overkomen was. Het kieken!

Zo kon ze echt niet meer terug in het kippenhok. De wonden, daar zouden vliegen naartoe komen en ze zouden infecteren.

Karen, die was ondertussen helemaal van haar melk. Razend kwaad op haar hond en bijna huilend vroeg ze of ik nu kwaad was op haar. Allee! Ik ging toch niet een kieken tussen ons laten komen?! Die arme Kiah had ook alleen maar haar instinct gevolgd. Ik had er moeten aan denken dat Katleen niet in haar kot kan blijven.

Tijd voor actie dan. Katleen werd in een badje met babyshampoo gezet. Haar verwondingen vielen wel mee, zag ik. Die werden goed ontsmet en regelmatig ingesmeerd met een desinfecterende zalf die ik nog had van de hond. Ze mocht zelfs op hotel: in een konijnenhok in de living, op de hondenbench naast de valkparkiet van jongste zoon. (Die kan nu ook kakelen zoals een kip) Haar pluimpjes waren dankzij de babyshampoo stralend wit en mooi donzig geworden. “Alleen spijtig dat er maar zo weinig meer opstaan”, zei de lieve wederhelft. Ambiance hoor, zo’n kieken in huis 😉

“Bewijs dat ik me beter voel. Alleen ik kan zeggen dat ik een ei gelegd heb in de living. 😉 “

Katleen is helemaal hersteld nu. Ze draaft terug door de tuin en heeft het hoogste woord. Samen met mij wieden, vindt ze helemaal gezellig. Ik de ongewenste plantjes, zij de miereneitjes, slakjes en andere lekkere beestjes. Hebben jullie eigenlijk kippen? Ik zou ze niet meer kunnen missen!

Spookkasteel in de tuin

’t Is weer de moment van het jaar. Iedereen griezelt in de periode rond Halloween. Wij doen dat nu.

In het vogelboske hangen slierten en webben. Jakkes! Sommige struiken zijn zelfs helemaal kaalgevreten. Het is een troosteloos en griezelig gezicht. En toch kan dit helemaal geen kwaad.

Hier is de kardinaalsmutsstippelmot aan het werk geweest. Dit is een klein wit nachtvlindertje met zwarte stippen. Je kan de vlinder waarnemen tussen eind juni en eind augustus. Dan legt die eitjes in onze kardinaalsmuts struiken. De eitjes overwinteren, er komen rupsen uit en nu, in mei tot eind juni zijn die actief.

Ze vreten onze struiken kaal en spinnen zich in draden om zichzelf tegen vijanden te beschermen. Dat is echt nodig. Hun grootste vijanden zijn kool- en pimpelmezen. En die zitten hier veel. Zij gebruiken de rupsen om hun jongen groot te brengen. Zo’n 50 tot 100 rupsen per jong vogeltje per dag plukken zij uit de struiken! Je begrijpt nu wel dat ik die rupsen koester he.

Eind juni zijn de mezen groot en hebben ze bijna alle rupsen opgegeten. Degenen die het gehaald hebben, zijn verpopt tot vlinder, leggen eitjes en zorgen zo voor voedsel voor de mezen voor volgend jaar. De struiken zijn weer ‘proper’ en krijgen terug blad. Na enkele weken staan ze terug gezond en frisgroen alsof er niks gebeurd is. Wonderlijk toch hè.

Vorige week sprak de buurman me enigszins bezorgd aan. Dat er buxusrupsen en spinnenwebben in zijn jong appelboompje zaten. En wat hij nu moest doen. Aha, dit waren geen buxusrupsen maar nog een andere stippelmot: de appelstippelmot. Zelfde verhaal hier. De mezen die aan ’t opgroeien zijn in zijn nestkastje eten hen op. Alleen moet je bij jonge boompjes of struiken wel even opletten. Als alle blaadjes van zo’n jong exemplaar opgegeten worden, kan de plant wel sterven. Om dat te voorkomen, kan je even de tuinslang op de klusters richten of hen handmatig uit je boompje plukken.

Dat het allemaal een kwestie van evenwicht is eigenlijk hè … en dat we zonder chemische bestrijdingsmiddelen dat evenwicht het best kunnen bereiken …

foto Koen Goossens

Spannende verrassingen in de tuin

Een zacht en schattig gepiep, dat deed me voorbije zaterdag op zoek gaan.

Het kwam van aan de poel. Al turend door het hoge gras, viel mijn oog ineens op hen: een eend met twaalf kuikens. Haha, ik had het nog gedacht. Sinds enkele maanden kwam hier steeds een koppeltje ‘romantisch doen’. Maar nu was vader nergens meer te bekennen. Misschien omdat de horeca terug open is?

Gisteren waren ze er weer. Het wieden in de fruitkooi met dat gefrunnik en gepiep van het klein grut op de achtergrond, was effenaf gezellig.

En dan … ’s Avonds rond een uur of elf ga ik steeds mijn kippen ‘in hun bed leggen’. De zijdehoenders willen voor ze gaan slapen, steeds nog wat op hun terras zitten. Genieten van de zonsondergang en van de merel zijn avondlied. Maar dan vallen ze daar in slaap en da’s te gevaarlijk in een biodiverse tuin. Ik steek ze dan in hun kot en doe het deurtje dicht.

Op weg naar het kippenhok, hoorde ik in de verte moeder eend luid snaterend van haar oren maken. Welke kleine was er nu al te laat thuis gekomen? Of zat er een kat misschien? Vlug mijn zaklamp genomen en eens poolshoogte gaan nemen. Was me dat verschieten zeg! Anderhalve meter van mij (ja echt! Coronaproof!) zat in het hoge gras een vos! Ik scheen met mijn lamp op zijn kop (een prachtige kop trouwens, met schattige oortjes) en hij had het niet eens door. Zo geconcentreerd was hij op zijn prooi.

Ik voelde me zoals op safari in Afrika. Ontmoetingen met wilde natuur vind ik zo spannend. Moeder eend was naar het midden van de poel gezwommen en haar kuikens wriemelden rond haar heen. De kop van het vosje volgde en ik zag hoe hij zijn spieren opspande. Zou een vos kunnen zwemmen eigenlijk? Ik hield mijn adem in maar toen ik zag dat hij wilde springen, was het sterker dan mezelf. Heel instinctief riep ik ‘Hey!’. Voor mijn ogen een moord laten gebeuren, dat lukte niet. Vosje sprintte als een pijl uit een boog weg en op het water keerde de rust weer.

Allee! Wat had ik nu gedaan?! Zo ingegrepen in de natuur! Nu moest het beestje met honger terug de nacht in. En dertien eenden op onze poel, dat kan toch nooit goed komen? Er zitten wel veel dikkoppen van padden in het water maar die populatie zal snel uitgedund worden met al die hongerige snaters.

In bed vroeg de lieve wederhelft: ‘Zou hij deze nacht terugkomen?’

Deze morgen ben ik nog in pyjama direct eens gaan kijken. Alle eendjes zwommen in het water. Vrolijk piepend en moeder eend druk in de weer om haar kroost bij elkaar te houden. Oef …

Vlijtige meisjes

Zaterdagmiddag ontdekte ik de eerste honingbij op onze krokussen in de voortuin. Vlug een berichtje naar mijn collega gestuurd: “Zijn jullie dametjes al wakker?” Zij en haar man hebben bijen.

“Jazeker!” antwoordde ze. “Eens boven 12°C vliegen ze. Meestal is dat deze periode rond en net na de middag. Ze vliegen vooral op krokussen, sneeuwklokjes en hazelaar.”

Zondagnamiddag was het daar effenaf een party in de voortuin. Tientallen honingbijen vlogen af en aan. Ik ben er met mijn neus bovenop gaan zitten. Gulzig dat ze waren! Dikke stuifmeelbrokken hingen aan hun pootjes. Hun gezellige gezoem, deed me zo deugd.

Ik heb er een filmpje van gemaakt en doorgestuurd naar mijn collega. Super enthousiast was die. “Ze zijn er zo zwaar mee geladen dat ze bijna niet meer kunnen vliegen!” stuurde ze.

Deze krokussen (Vanguard bio) stopte ik in het najaar van 2018 in de grond. Het zijn verwilderingsbollen en ze zijn inderdaad al serieus vermeerderd. Ik ben zo blij dat de bijen er zo zot van zijn. Want biobloembollen, dat wil zeggen dat ze niet met gif behandeld zijn. Verzamel maar vlijtig dit gezonde stuifmeel meisjes!

Jan de ekster

Ik denk dat ik zo’n jaar of twaalf, dertien was toen er voor ons huis een aftandse jeep stopte.

(foto van freepik)

Een collega van mijn vader stapte uit. Ne ‘rare’ volgens hem want hij ‘ hing altijd rond in de bossen’. Blijkbaar had hij aan de man verteld over mij, zijn dochter, dat ik ook een rare ben. Ik had heel graag een hond of kat gekregen maar ons moeder was onvermurwbaar. Dus had ik een kipje tam gemaakt. Zij werd als kuiken verstoten en ik nam haar onder mijn vleugels. Ze volgde me overal en meestal vond men ons samen in de tuin. Ik zittend in het gras met mijn neus in een spannend boek en mijn kipje gezellig op mijn schoot. Ze was zelfs zindelijk. Daar had ik mijn latijn moeten insteken want ik kreeg steeds onder mijn voeten als ik met een kleedje vol kippenstr… naar huis kwam. 😉

Maar, die rare collega die uit de jeep stapte dus …

Ik moest eens komen kijken want de man had iets voor mij. Hij had een jonge ekster gevonden, op de grond, uit het nest gevallen. Of ik die net zoals mijn kipje kon grootbrengen? Wauw! Natuurlijk! Ik hield hem in een doosje en gaf hem allerlei lekkere hapjes. Wat ik hem gaf, weet ik niet meer maar hij groeide goed. Ik leerde hem mee naar buiten gaan, eerst huppelen door het gras. Later vloog hij zelfs. Maar hij bleef in de buurt. Ik gaf hem een naam: Jan. Vader maakte een hokje voor hem maar lang heeft hij daar niet in geslapen.

Hij werd volwassen en sliep liever in de bomen. ’s Morgens als het licht in de badkamer aanging, kwam hij op de vensterbank zitten. Hij tikte met zijn bek tegen het raam en kraste de twee woordjes die hij kende: “Kom” en “Jan”.

In die tijd ging ik met de bus naar school. Hij vloog mee naar de bushalte, wachtte tot ik op de bus stapte en vloog terug naar huis. Daar ‘ambeteerde’ hij ons moeder. Als ze de was aan de wasdraad wilde ophangen, pikte hij de wasspelden uit haar handen. Of die keer dat hij met onderbroeken van de buren naar huis kwam, daar kon ze echt niet mee lachen. Wij wel …

Hij wist goed wanneer de bus terugkwam. Dan vloog hij naar het kruispunt en ging zitten wachten op één van de daken. Met geschreeuw werd ik steeds verwelkomd. Roefelen in mijn haar, vond hij geweldig. Of op mijn schouder zitten en zo mee naar huis gaan …

Hij was een slimmerik en een deugniet. Jaren en jaren bleef hij bij ons. Tot hij op een bepaalde dag verdwenen was. Veel mensen hebben toen naar hem gezocht. Zelfs de vrouw die wekelijks met de groentekar kwam, keek op haar ronde naar hem uit. “Hij zal een lief gevonden hebben.” zei ik toen tegen iedereen.

Hoe het komt dat ik daar nu ineens aan terugdenk? Gisteren zag ik een toffe film op Netflix: ‘Penguin Bloom’. Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een ongeluk en een gevonden ekster. Echt een aanrader!

Ophokplicht

’t Is weer van dat! De vogelgriep is in ons land. Sinds 1 november moesten professionelen hun pluimvee ophokken. Maar vorige vrijdag zijn in het VOC in Oostende drie wilde vogels binnengebracht die positief testten op het virus. Dus nu moeten particulieren ook hun kippen, duiven en ander pluimvee binnen of afgeschermd van wilde vogels houden.

Toeme toch, gedaan met vrolijk en vrij buiten scharrelen. Wij in Corona-quarantaine en onze kippen in vogelgriep-quarantaine. Waar gaat dat toch naartoe?

De legkippen moeten nu in hun woonwagen blijven, ook overdag. De zijdehoentjes, die daar normaal ook slapen, heb ik nu in de serre gezet. De spinazie en veldsla die daar stond, daar hebben ze zich al tegoed aan gedaan. Ja zeh, ’t is erg genoeg voor de sukkelaars hè.

Gelukkig mag een knuffelcontact nog wel.

Aan zijn ‘franke ogen’ te zien, denk ik dat deze jongeling een haan zal worden.

Het droeve liefdesverhaal van Sieke en Fideel, kent ge dat nog? Ook voor hen is het nu gedaan met de pret. Sinds vorige winter vieren ze het leven in buurman zijn weide. Win-win voor iedereen: zij hebben terug gras (sinds de bomen in het vogelboske goed gegroeid zijn, is daar zoveel gras niet meer) én buurman moet zijn gras niet meer afrijden. Maar ook zij moeten nu binnen. Buurman stak zijn hoofd over de poort: “Hoe gaan we dat doen jong?”

Plezant was het in ieder geval wel! Met zijn tweeën door de weide draven, achter een koppel ganzen. Eens we ze in een hoek gedreven hadden, ging het snel. Snaterende, blazende bekken en klapperende vleugels, de pluimen vlogen ons rond de oren. Maar even later liepen we elk met een gans onder de arm, door onze straat.

Sieke en Fideel zitten nu in de fruitkooi. Ik ben er zeker van dat ze ’s nachts van hun groene weide dromen.

Enne, nu vind ik mijn duifje niet meer. Gisteren zag ik op tv dat er een duif voor 1,6 miljoen Euro verkocht is. Ze droeg ook zo’n groen ringetje gelijk de mijne. 😉

Het vogelgriepvirus zou al lang bij wilde vogels voorkomen. Maar de dieren hadden daar milde symptomen van: niet meer dan een ‘goei valling’. Maar griepvirussen kunnen muteren en super-virussen worden. Het H5N8 vogelgriepvirus dat nu de ronde doet is zo’n hoog-pathogeen virus. Wat zou nu toch de oorzaak zijn van al die miserie? Wilde vogels verspreiden het virus maar ik kan me moeilijk voorstellen dat bij hen deze gevaarlijke vorm ontstaan is. Ik denk niet dat daar al genoeg onderzoek naar gedaan is. Volgens sommigen ontstaan deze dodelijke griepvirussen in onze kippenfabrieken en legbatterijen. De mest afkomstig van deze bedrijven wordt op landbouwgrond verspreid. Wilde vogels scharrelen daarin en voilà, de cirkel is rond. Misschien toch niet zo goed bezig in onze gangbare landbouw?

Zot interludium: de mus

En toen zat er een mus in onze stoof!

Op een maandagmorgen, als iedereen vertrokken was en ik eens wat tijd voor mezelf gereserveerd had!

Ik moest dat beest toch eerst bevrijden! Ze vloog altijd maar tegen het raampje!

Maar … eigenlijk had ik de assen na vorige winter niet opgeruimd. En die mus hing al vol roet! En ’t is nu niet dat dat hier zó proper is, maar een roetmus tegen witte muren, ik zag het al gebeuren …

Dus voorbereidingen getroffen met een dekentje voor over het deurtje enzo …

En toen was de mus … weg! Terug naar boven in de schouw!

Wettewa? Dan schep ik eerst al die assen eruit en als ze terugkomt, is het er toch zo vuil niet. Goed plan toch hè?

Deurtje wagenwijd open en maar scheppen …

Komt daar ineens iets rond mijn oren gevlogen! De mus natuurlijk! Wat had je gedacht, slimmerik?!

Alle hoeken van ons huis heeft ze gezien … en ik ook!!!

Uiteindelijk tussen de zetel en de kast … heb ik ze kunnen pakken! Zo haar hartje bonken … en het mijne ook …

Heel triomfantelijk heb ik ze in de tuin laten vliegen. Vrolijk fladderde ze terug de vrijheid tegemoet. Oef! En nu ben ik van ’s morgens vroeg goed wakker 😉

Weduwe in de zon

Ondanks dat de nachtshift weer zwoel was geweest, had ik deze keer overdag goed geslapen.

Het was al namiddag en ik snakte naar thee en de zon. Nog slaapdronken strompelde ik het terras op en toen zag ik ze zitten: een wespspin. Een prachtig exemplaar. Gewoon tussen wat stengels van bieslook die zich uitgezaaid had tussen de stenen. Lekker warm …

Drie jaar geleden zag ik er ook al eens zo eentje zitten hier in de tuin.

De wespspin of tijgerspin is de grootste Europese spin en eigenlijk afkomstig van rond de Middellandse Zee. Maar door de klimaatopwarming en onze warmere zomers vind je ze nu ook bij ons. Ze eten vooral sprinkhanen en libellen maar ook vliegen en kevers. Ze maken zo’n rond web laag tegen de grond en als een prooi daar in sukkelt, spinnen ze die vliegensvlug in en eten ze op. Gruwelijk hè.

Mijn spin is een vrouwtje vond ik op ‘tinternet’. De mannetjes zijn veel kleiner en bijlange zo knap niet. Maar wat ik wel straf vind: deze dame is letterlijk een mannenverslindster. Aan de rand van haar web zitten verschillende mannetjes te wachten tot ze geslachtsrijp is. Ze is echter zeer agressief, waarbij de mannetjes dikwijls wat poten verliezen als ze haar proberen het hof te maken. Eens er ene gelukzak kunnen paren heeft, wordt die na de daad ingesponnen, krijgt die een gifbeet en wordt hij opgegeten. Dan hebben onze mannen het nog niet zo kwaad, vind ik.

Daarna wordt er een coconnetje gemaakt waar de eitjes in gelegd worden. Ik vond toch wel zo’n coconnetje zeker! Zo tof! Die had daar al zo hard zitten werken en we hadden dat gewoon niet gezien. Na een maand komen uit die eitjes kleine spinnetjes maar die verlaten het coconnetje maar pas in maart.

Ik ga dat coconnetje dus goed bewaken deze winter. Nog even vermelden: zo’n wespspin is niet gevaarlijk voor vogels of mensen. Haar vermomming zoals een wesp is vooral bluf. Daardoor laten mogelijke vijanden haar met rust. Heb jij al eens zo’n spin gezien?

Zwoele nacht

We hadden afgesproken, de Natuurpuntvriend en ik, dat we het de eerste warme zomernacht eens gingen doen in mijn tuin.

Zaterdagavond 1 augustus kwam hij met zijn fiets den hof opgereden. Hij had mee: een houten bak, een transformator en een hele straffe kwikdamplamp. We gingen nachtvlinders tellen.

Alles geïnstalleerd, ik vertrok voor de nachtshift naar mijn werk en we spraken af de volgende ochtend om kwart na zeven terug samen te komen om te kijken welke vlinders er in de bak zaten.

De zonen zakten die avond nog efkens door op het terras en hadden veel plezier met de interesses van hun zotte moeder. Ze gingen wedden hoeveel vlinders ze gevangen had. De ene zei 30 exemplaren, de andere gokte op 32. Maar toen ze een paar biertjes later eens gingen kijken, moesten ze vaststellen dat ze het toch wel serieus onderschat hadden.

Het ‘takje met pootjes’ rechts bovenaan is Wapendrager – Phalera bucephala.
Slimme camouflage hè!

De volgende ochtend arriveerde ik als eerste aan de lichtval. Wat daar allemaal in en op en rond zat! Wauw! Zo veel soorten vlinders bij elkaar had ik nog nooit gezien, echt prachtig! Ik moest effenaf lachen met de Natuurpuntvriend die even later aankwam. Zoals een kind in een snoepwinkel kon hij zijn plezier en ‘contentement’ niet verbergen.

Kleine beer – Phragmatobia fuliginosa (roodachtig vlindertje in ’t midden) en Karmozijnrood weeskind – Catocala sponsa (grote bovenaan)
Dennenpijlstaart – Sphinx pinastri
Groot avondrood – Deilephila elpenor

Zelfs twee ‘Spaanse vlaggen’, (vroeger zeer zeldzaam in Vlaanderen, nu meer verspreid én Europees beschermd) zaten bovenop de bak. Het was voor de Natuurpuntvriend de eerste keer dat hij ze ‘live’ zag en hij heeft op Waarnemingen.be nochtans 30 312 waarnemingen op zijn naam staan. Ge kunt u dus wel voorstellen dat ik fier was op onze tuin.

Spaanse Vlag – Euplagia quadripunctaria
even aanporren om zijn binnenkant te laten zien …

We telden 45 soorten nachtvlinders en om het aantal exemplaren te tellen, daar was gewoon geen beginnen aan. Al die fladderende, wriemelende beestjes; het waren er zeker een nulletje meer dan wat de zonen gegokt hadden.

Het op naam brengen van al die beestjes was een plezant werkje. De Natuurpuntvriend is een wandelende natuurencyclopedie en voor de beestjes waarvan hij de naam niet wist, had hij een nachtvlindergids bij.

Alle 45 namen ga ik hier niet opsommen. Ik vermeld gewoon diegene die ik het mooist vond klinken: Glad beertje, Schedeldrager, Karmozijnrood weeskind (een zeldzame blijkbaar), Hageheld, Schaapje, Kleine breedbandhuismoeder, Bleke grasuil, Parelmoermot (vond ik grappig), Goudvenstertje, Peper-en-zoutvlinder, Kameeltje, Lieveling, Brandnetelkapje, Donker klaverblaadje en nog zoveel meer.

Tegen mij moet je nu echt niet meer zeggen dat motten mottig zijn! Als ik tussen al die vlinders mag kiezen wat ik de allermooiste vond, neem ik de Zilveren groenuil. Een prachtig aaibaar beestje!

Zilveren groenuil – Pseudoips prasinana

Wespen

Voordat u hier gillend wegloopt, wil ik even wat troost bieden: de ene wesp is de andere niet. En dit wordt geen gruwelijk verhaal.

Het was vorige week, op zo’n zonnige ochtend. Het was nog zalig fris maar ik kon wel al merken dat het die dag warm ging worden. Bovenop de opgeschoten Venkel aan het keukenraam merkte ik een vrolijk gekrioel van allemaal beestjes.

Het waren wespen zag ik, maar geen limonadewespen. Ze waren veel slanker en ik mocht met mijn neus tot tussen hen staan, ze deden niks. Alleen interesse voor de Venkel bloemetjes. Dus nam ik een foto die ik invoerde in waarnemingen.be.

Groot was mijn verbazing toen ik als eerste (maar wel onzekere) voorspelling ‘Veldwespwaaiertje – Xenos vesparum’ kreeg. Toch geen wesp? Ik tikte ‘veldwespwaaiertje’ in op ‘tinternet’ en kreeg een gelijkaardige foto. Mm?

Op zo’n momenten is er dan Facebook. Ik deelde mijn twijfel in de groep ‘Wespen uit de benelux’ en kreeg al snel een antwoord. Het diertje op mijn foto was wel degelijk een Franse veldwesp. Het Veldwespwaaiertje is een parasiet van deze veldwesp. Om die te zien, moet je een foto maken van het achterlijf van de Franse veldwesp, kreeg ik als antwoord. Als er plaatjes van het achterlijf openstaan, zit daartussen die parasiet. Aha! Weer wat bijgeleerd. Terug met mijn neus tussen de Venkel bloemetjes, zag ik inderdaad diertjes met hun achterlijfje helemaal dicht maar ook enkele met open plaatjes. Daarin zat dus dat veldwespwaaiertje. Boeiend hè …

Nog even vermelden dat Franse veldwespen echt toffe wespen zijn hoor! Ze eten insecten zoals muggen en bladluizen en zijn niet geïnteresseerd in zoetigheid. Ze zijn ook helemaal niet agressief en zullen alleen steken als ze echt in gevaar zijn. Wij zitten daar naast te eten op het terras maar ze blijven mooi op de Venkel. En wij kunnen genieten van hun gezellig gezoem …