Jan de ekster

Ik denk dat ik zo’n jaar of twaalf, dertien was toen er voor ons huis een aftandse jeep stopte.

(foto van freepik)

Een collega van mijn vader stapte uit. Ne ‘rare’ volgens hem want hij ‘ hing altijd rond in de bossen’. Blijkbaar had hij aan de man verteld over mij, zijn dochter, dat ik ook een rare ben. Ik had heel graag een hond of kat gekregen maar ons moeder was onvermurwbaar. Dus had ik een kipje tam gemaakt. Zij werd als kuiken verstoten en ik nam haar onder mijn vleugels. Ze volgde me overal en meestal vond men ons samen in de tuin. Ik zittend in het gras met mijn neus in een spannend boek en mijn kipje gezellig op mijn schoot. Ze was zelfs zindelijk. Daar had ik mijn latijn moeten insteken want ik kreeg steeds onder mijn voeten als ik met een kleedje vol kippenstr… naar huis kwam. 😉

Maar, die rare collega die uit de jeep stapte dus …

Ik moest eens komen kijken want de man had iets voor mij. Hij had een jonge ekster gevonden, op de grond, uit het nest gevallen. Of ik die net zoals mijn kipje kon grootbrengen? Wauw! Natuurlijk! Ik hield hem in een doosje en gaf hem allerlei lekkere hapjes. Wat ik hem gaf, weet ik niet meer maar hij groeide goed. Ik leerde hem mee naar buiten gaan, eerst huppelen door het gras. Later vloog hij zelfs. Maar hij bleef in de buurt. Ik gaf hem een naam: Jan. Vader maakte een hokje voor hem maar lang heeft hij daar niet in geslapen.

Hij werd volwassen en sliep liever in de bomen. ’s Morgens als het licht in de badkamer aanging, kwam hij op de vensterbank zitten. Hij tikte met zijn bek tegen het raam en kraste de twee woordjes die hij kende: “Kom” en “Jan”.

In die tijd ging ik met de bus naar school. Hij vloog mee naar de bushalte, wachtte tot ik op de bus stapte en vloog terug naar huis. Daar ‘ambeteerde’ hij ons moeder. Als ze de was aan de wasdraad wilde ophangen, pikte hij de wasspelden uit haar handen. Of die keer dat hij met onderbroeken van de buren naar huis kwam, daar kon ze echt niet mee lachen. Wij wel …

Hij wist goed wanneer de bus terugkwam. Dan vloog hij naar het kruispunt en ging zitten wachten op één van de daken. Met geschreeuw werd ik steeds verwelkomd. Roefelen in mijn haar, vond hij geweldig. Of op mijn schouder zitten en zo mee naar huis gaan …

Hij was een slimmerik en een deugniet. Jaren en jaren bleef hij bij ons. Tot hij op een bepaalde dag verdwenen was. Veel mensen hebben toen naar hem gezocht. Zelfs de vrouw die wekelijks met de groentekar kwam, keek op haar ronde naar hem uit. “Hij zal een lief gevonden hebben.” zei ik toen tegen iedereen.

Hoe het komt dat ik daar nu ineens aan terugdenk? Gisteren zag ik een toffe film op Netflix: ‘Penguin Bloom’. Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een ongeluk en een gevonden ekster. Echt een aanrader!