Spannende verrassingen in de tuin

Een zacht en schattig gepiep, dat deed me voorbije zaterdag op zoek gaan.

Het kwam van aan de poel. Al turend door het hoge gras, viel mijn oog ineens op hen: een eend met twaalf kuikens. Haha, ik had het nog gedacht. Sinds enkele maanden kwam hier steeds een koppeltje ‘romantisch doen’. Maar nu was vader nergens meer te bekennen. Misschien omdat de horeca terug open is?

Gisteren waren ze er weer. Het wieden in de fruitkooi met dat gefrunnik en gepiep van het klein grut op de achtergrond, was effenaf gezellig.

En dan … ’s Avonds rond een uur of elf ga ik steeds mijn kippen ‘in hun bed leggen’. De zijdehoenders willen voor ze gaan slapen, steeds nog wat op hun terras zitten. Genieten van de zonsondergang en van de merel zijn avondlied. Maar dan vallen ze daar in slaap en da’s te gevaarlijk in een biodiverse tuin. Ik steek ze dan in hun kot en doe het deurtje dicht.

Op weg naar het kippenhok, hoorde ik in de verte moeder eend luid snaterend van haar oren maken. Welke kleine was er nu al te laat thuis gekomen? Of zat er een kat misschien? Vlug mijn zaklamp genomen en eens poolshoogte gaan nemen. Was me dat verschieten zeg! Anderhalve meter van mij (ja echt! Coronaproof!) zat in het hoge gras een vos! Ik scheen met mijn lamp op zijn kop (een prachtige kop trouwens, met schattige oortjes) en hij had het niet eens door. Zo geconcentreerd was hij op zijn prooi.

Ik voelde me zoals op safari in Afrika. Ontmoetingen met wilde natuur vind ik zo spannend. Moeder eend was naar het midden van de poel gezwommen en haar kuikens wriemelden rond haar heen. De kop van het vosje volgde en ik zag hoe hij zijn spieren opspande. Zou een vos kunnen zwemmen eigenlijk? Ik hield mijn adem in maar toen ik zag dat hij wilde springen, was het sterker dan mezelf. Heel instinctief riep ik ‘Hey!’. Voor mijn ogen een moord laten gebeuren, dat lukte niet. Vosje sprintte als een pijl uit een boog weg en op het water keerde de rust weer.

Allee! Wat had ik nu gedaan?! Zo ingegrepen in de natuur! Nu moest het beestje met honger terug de nacht in. En dertien eenden op onze poel, dat kan toch nooit goed komen? Er zitten wel veel dikkoppen van padden in het water maar die populatie zal snel uitgedund worden met al die hongerige snaters.

In bed vroeg de lieve wederhelft: ‘Zou hij deze nacht terugkomen?’

Deze morgen ben ik nog in pyjama direct eens gaan kijken. Alle eendjes zwommen in het water. Vrolijk piepend en moeder eend druk in de weer om haar kroost bij elkaar te houden. Oef …

Hoe geef je een boek uit?

Voor jullie een vraag en voor ons … ook.

Ons verhaal is af! Yes! Eigenlijk zijn we best wel fier op ons kindje. Karen en ik hebben er zoveel plezier aan beleefd en het is echt mooi.

Momenteel zijn we druk aan het herlezen en nog wat kleine dingen aan ’t veranderen. Deze week hadden we een videocall met de leesfee, Emy Geyskens. Zij schreef al 60 kinderboeken en maakte ons wat wegwijs in de wereld van uitgeverijen. Zo boeiend!

We hebben onszelf nog maar eens een deadline opgelegd. Tegen woensdag moet ons script volledig herlezen en af zijn. Dan gaat het naar mijn nichtje. Zij doet op haar werk eindredactie en wil ons schrijfsel ook wel eens onderhanden nemen. Begin juni willen we het dan opsturen naar een uitgeverij.

We hebben al besloten dat we niet met een grote, commerciële partner willen werken. Het zou niet kloppen met ons verhaal. We schrijven over duurzaamheid en we laten lokale wereldverbeteraars aan het woord. Stel je voor dat ons gedrukt boek dan zou komen vast te zitten op een schip in het Suezkanaal! We zien onszelf dan weer wel liggen in zo’n schattig, klein boekenwinkeltje gelijk ’t Oneindige verhaal.

We gaan dus voor een kleine uitgeverij. Dan hebben we veel meer kans dat onze fotograaf ook zijn ‘eigen goesting’ mag doen. Of misschien geven we ons boek wel zelf uit? Dan zoeken we een professionele eindredacteur, vormgever en drukker. Nog veel werk voor de boeg, maar zo plezant!

Natuurkampje

Tien kleuters tussen vier en zes jaar vertellen over de tuin en hen ook iets laten doen … of ik dat zag zitten? Frauke van We-Time overviel me even met die vraag. Maar lang moest ik er niet over nadenken. Zoiets leek me echt wel tof!

De kindjes gingen van aan het station langs de veldbaantjes naar onze tuin wandelen. Dat was een kans om nog eens het kind in mezelf los te laten en ‘pijltje trek’ te doen. Met krijt hartjes, bloemetjes en pijlen op straat tekenen, dat was lang geleden. En zo vonden de kleuters de weg.

Om half één kwamen Frauke en Iris met die hele bende schattigheid door het tuinpoortje gestapt. Tijd om kennis te maken met onze kippen. Er werden eitjes geraapt en kippen geaaid en vastgehouden. De kinderen vroegen honderduit over eieren en kuikentjes en of er nu kuikentjes in die eieren zaten. Als onze haan een lekker hapje vond en zijn kippen riep om het op te eten, daarvan vielen hun mondjes open. De kip die steeds op wandel ging, dat vonden ze grappig. (“Blijf in uw kot!” van Maggie De Block is niet aan haar besteed.)

We gingen kikkers zoeken in de poel. Maar die vonden we spijtig genoeg niet. (De weide achter ons wordt tegenwoordig nogal erg bemest en onlangs zag ik dat er ook ‘korreltjes’ gestrooid werden.) Daardoor geen kikkers meer, vrees ik.

We zagen wel twee hazen in de wei die met elkaar aan ’t spelen waren. “Aan ’t vechten!” riep een jongetje. “Nee, ik denk dat ze verliefd zijn op elkaar” zei ik. Waarop een meisje met twee staartjes en grote ogen uitriep: “Gaan die dan mama en papa worden?”

Toen gingen we bloemetjes plukken. Ik voelde ineens een klein warm handje in mijn hand schuiven toen we ernaar toe wandelden. (Smelt!) Eigenlijk was het echt tof hoe nieuwsgierig die kindjes waren. Toen ik hondsdraf toonde en vroeg of iemand wist wat je daarmee kan doen, hingen ze aan mijn lippen. Er waren wel een paar kindjes bij die ooit al eens een ‘netelprik’ gekregen hadden. Toen ik vertelde dat ze dan zo’n plantje moeten kneuzen en erop wrijven en dat de pijn dan weg is, was er prompt een jongetje die dat wilde proberen. Hij mocht van Frauke maar het zou dan wel even pijn doen, verwittigde ze hem. Bij nader inzien heeft hij het dan toch maar niet gedaan.

Tijd voor het grote werk dan. Er waren namelijk dinoresten gevonden in onze tuin. Frauke had gevraagd om dinobotten te verstoppen en die mochten ze dan opgraven. Daar zijn ze wel even zoet mee geweest. Ik had ze nochtans onder een dun laagje aarde verstopt maar als tien kleuters gaan graven door elkaar… Eén meisje vond wel haar roeping. Zij gaat archeologe worden later. Op den duur ontstond er een soort van ‘teamwork’. Eén jongetje ging aan het poortje van het kippenhok staan. De regenwormen die gevonden werden, moesten bij hem gebracht worden zodat hij die aan de kippen kon geven. Eerst nog voorzichtig vanop afstand. Maar hij werd steeds moediger.

Dan werd het groepje in twee gesplitst. De ene helft ging eieren beschilderen aan de tuintafel met Iris. Frauke en ik trokken de moestuin in met de andere helft om erwtjes te zaaien. En in potjes mochten ze boontjes planten om mee naar huis te nemen. Daarna werd er gewisseld.

De archeologische site waar de kinderen alle dinoresten gevonden hadden, heb ik dan terug gelijk geharkt. En dan mochten ze bloemetjes voor de bijen zaaien. De metselbijen waren actief bezig in het insectenhotel en dat vonden ze ook boeiend.

Ik weet eigenlijk niet wie het meest genoten heeft van de namiddag, de kinderen of ik. Maar ik heb een vermoeden dat het die laatste is 😉

Malderse groene vingers

Het was het najaar van 2020 en ik was doelloos aan ’t scrollen op Facebook. Corona en geen mensen mogen ontmoeten, ge kent dat wel hè.

In een zadenruilgroep kwam ik een tof initiatief tegen: iemand stelde voor een doos te laten rondgaan in de provincie Oost-Vlaanderen. Wie wilde meedoen, mocht reageren. Wij wonen eigenlijk in Vlaams-Brabant maar wel op de grens met Oost-Vlaanderen. Dus ik gaf me op en tagde nog een paar vriendinnen, kwestie van wat meer kans te hebben dat de doos de provinciegrens over mocht.

Van ’t één kwam ’t ander en zo begonnen de vriendinnen en ik te chatten en stelden we voor in ons eigen dorp ook zo’n doos te lanceren. We verzamelden zaden die we oogsten in onze tuin of zaden die we teveel gekocht hadden, stopten ze in een wijndoos en lanceerden een berichtje in de Facebookgroep van ons dorp. Algauw hadden we een kleine twintig mensen die wilden meedoen.

We hebben er ons een hele winter mee geamuseerd. Veerle werd gebombardeerd tot beheerder van de doos. Om de privacy van de deelnemers te garanderen, werden alleen haar adresgegevens in de doos gestopt. Wie ze kreeg, mocht een berichtje naar Veerle sturen. Van haar kreeg die dan het adres van de volgende kandidaat. Zo konden we onze doos goed volgen, wisten we waar ze zat en kon ze niet verloren gaan.

De doos uit Oost-Vlaanderen die eigenlijk een envelop geworden was, passeerde hier ook. Ondertussen is die blijkbaar terug bij de initiatiefnemer en kan je bij hem zaadjes verkrijgen.

Twee weken geleden stond er dan ineens een dame uit Opwijk aan mijn deur. Op de dorpel stond (coronaproof) een megagrote doos met het etiket ‘Malderse Zadendoos’ dat ik in het najaar op een wijndoos geplakt had. “Amai, die is gegroeid!” was mijn reactie. Ik kwam nog potjes van mezelf tegen waar mensen al goed van geoogst hadden. En enorm veel andere zaden, zo plezant! Iemand had zelfs de groenten- en bloemenzaden apart gesorteerd in kleinere doosjes.

En nu is onze doos helemaal rond. Alle mensen die zich opgegeven hadden, hebben ze gekregen. We kregen zelfs enkele enthousiaste berichtjes over huiskamers die serres geworden zijn. Ik word daar echt gelukkig van. Eigenlijk hebben we een ‘gezond virus’ verspreid.

We hebben dus besloten om ons experiment verder te zetten. Veerle stelde voor een Facebookgroepje op te richten. We brainstormden over een naam en die werd: ‘Malderse groene vingers’. Iedereen die zich verbonden voelt met één van die drie woorden, mag meedoen. We hebben zelfs al leden vanuit Frankrijk!

Ondertussen is de doos terug begonnen aan haar reis. (Spijtig genoeg lukt dat alleen maar in Malderen en omstreken, ze is echt te groot geworden om via de post verstuurd te worden.) Via ons groepje bereikten we nog kandidaten die willen zaaien en genieten van groen. Ook andere groene goestingen worden in dat Facebookgroepje gedeeld. Benieuwd wat voor moois daar nog zal uit groeien!

Groene pipi

Een boek schrijven, da’s zelf veel lezen, je vastbijten in het onderwerp en dan allemaal toffe dingen tegenkomen.

Zo ontdekte ik de ‘GreenPee’. Geniaal vond ik dat! Uitgevonden door Nederlandse omgevingspsychologen dankzij het wildplasprobleem, hoe tof is dat?!

De GreenPee is eigenlijk een combinatie van een urinoir en een plantenbak. Hij is niet aangesloten op de waterleiding of moet geen afloop naar de riolering hebben. Dat is profijtig en duurzaam dus. De urine wordt gewoon opgevangen in een bak met geurabsorberende hennepvezels. Die vezel, vermengd met de urine wordt gecomposteerd waardoor men een fosfaatrijke biologische meststof bekomt. Daarmee kan een gemeente dan zijn groenperken bemesten.

Aan het systeem zit ook een 30 liter reservoir waarin regenwater opgevangen wordt. Zo moeten de planten die bovenaan in de bak staan niet veelvuldig bewaterd worden door de gemeentearbeiders.

Ik kon het me niet laten en heb het toch even in het oor gefluisterd van onze milieuschepen. Zij was enthousiast en deed een voorstel. Wie weet krijgen wij wel zo’n toffe bakken in onze gemeente? Nu hebben wij nog steeds zo’n lelijke plastic torens met steriele bloemen waar bijen niks aan hebben erin. Elk jaar worden daar nieuwe plantjes voor aangekocht. Daarbij durven mannen die uit ’t café komen daar al eens tegen plassen waardoor ze kapot gaan. Toch zonde van al het geld en de moeite hè?

Kennen jullie de GreenPee al? En vinden jullie dat tof?

Meer info op: greenpee.nl

Vlijtige meisjes

Zaterdagmiddag ontdekte ik de eerste honingbij op onze krokussen in de voortuin. Vlug een berichtje naar mijn collega gestuurd: “Zijn jullie dametjes al wakker?” Zij en haar man hebben bijen.

“Jazeker!” antwoordde ze. “Eens boven 12°C vliegen ze. Meestal is dat deze periode rond en net na de middag. Ze vliegen vooral op krokussen, sneeuwklokjes en hazelaar.”

Zondagnamiddag was het daar effenaf een party in de voortuin. Tientallen honingbijen vlogen af en aan. Ik ben er met mijn neus bovenop gaan zitten. Gulzig dat ze waren! Dikke stuifmeelbrokken hingen aan hun pootjes. Hun gezellige gezoem, deed me zo deugd.

Ik heb er een filmpje van gemaakt en doorgestuurd naar mijn collega. Super enthousiast was die. “Ze zijn er zo zwaar mee geladen dat ze bijna niet meer kunnen vliegen!” stuurde ze.

Deze krokussen (Vanguard bio) stopte ik in het najaar van 2018 in de grond. Het zijn verwilderingsbollen en ze zijn inderdaad al serieus vermeerderd. Ik ben zo blij dat de bijen er zo zot van zijn. Want biobloembollen, dat wil zeggen dat ze niet met gif behandeld zijn. Verzamel maar vlijtig dit gezonde stuifmeel meisjes!

Drie oorzaken van wateroverlast en toch ons grondwaterpeil niet aangevuld krijgen

De eerste oorzaak, die kunnen we niet direct veranderen: de klimaatopwarming.

Door de klimaatopwarming is het temperatuurverschil tussen de polen van onze planeet en de evenaar kleiner geworden. De polen zijn serieus opgewarmd. Daardoor is de straalstroom ‘lui’ geworden.

De straalstroom ken je waarschijnlijk wel? Wijlen Armand Pien had het daar altijd over. Het is een zeer sterke wind op enkele kilometers hoogte. Hij is duizenden kilometers lang en enkele honderden kilometers breed. Hij kronkelt van west naar oost. Niet alleen boven Europa is er een straalstroom, er zijn er ook bij de evenaar en boven de polen. Dankzij het temperatuurverschil tussen de polen en de evenaar bewegen ze en verandert ons weer.

De straalstroom blijft nu langere tijd constant omdat de temperatuurverschillen tussen de polen en de evenaar niet zo groot meer zijn. Er wordt dus niet meer zo aan hem ‘getrokken’. Daardoor blijven we langer in hetzelfde weersysteem zitten: langdurige droogtes of periodes van zeer veel regen.

De tweede oorzaak: We hebben teveel beton.

De ‘bouwwoede’ van de mens is enorm. We willen grote huizen met grote terrassen errond. Onze straten zijn verhard. De fietspaden en voetpaden zijn zeer netjes verhard zodat ‘onkruid’ niet oprukt. De hype van ‘kiezeltuinen’ met worteldoek eronder is zeer populair. Of kunstgazon, zo makkelijk en geen onderhoud. Maar als het dan eindelijk en gedurende lange periode regent, kan het water niet in de bodem dringen. Het spoelt weg langs de riool. Die kan het overtollige water niet slikken en onze straten overstromen. Maar het grondwaterpeil wordt niet aangevuld.

De derde oorzaak is onze gangbare landbouw.

Is het je ook al opgevallen dat onze velden kletsnat staan? Het water stroomt er gewoon af. Dus is ons grondwaterpeil toch aangevuld, zou je denken? Toch staat dat momenteel nog steeds te laag. Heb je al van het fenomeen ‘ploegzool’ gehoord? Doordat onze landbouwgronden steeds geploegd worden, sterft het bodemleven. De grondlagen worden gekeerd. De bovenste laag die zuurstof bevat en waar organismen leven die zuurstof nodig hebben, komt onderaan terecht door het ploegen. Die organismen sterven door zuurstoftekort. De anaerobe organismen die normaal in de onderste grondlagen leven, komen ineens bovenaan in een zuurstofrijke laag terecht en sterven ook. De bodem is dood en op de diepte waar de ploeg niet kan komen, ontstaat een harde zool waar geen water meer kan doordringen.

Gelukkig zijn er al heel veel mensen die dit doorhebben. Ik word helemaal blij van verschillende initiatieven die we overal zien opduiken. Voor ons boek zijn we daar nu naar op zoek. De interviews met die mensen zijn zo bemoedigend! Het komt wel goed …

Jan de ekster

Ik denk dat ik zo’n jaar of twaalf, dertien was toen er voor ons huis een aftandse jeep stopte.

(foto van freepik)

Een collega van mijn vader stapte uit. Ne ‘rare’ volgens hem want hij ‘ hing altijd rond in de bossen’. Blijkbaar had hij aan de man verteld over mij, zijn dochter, dat ik ook een rare ben. Ik had heel graag een hond of kat gekregen maar ons moeder was onvermurwbaar. Dus had ik een kipje tam gemaakt. Zij werd als kuiken verstoten en ik nam haar onder mijn vleugels. Ze volgde me overal en meestal vond men ons samen in de tuin. Ik zittend in het gras met mijn neus in een spannend boek en mijn kipje gezellig op mijn schoot. Ze was zelfs zindelijk. Daar had ik mijn latijn moeten insteken want ik kreeg steeds onder mijn voeten als ik met een kleedje vol kippenstr… naar huis kwam. 😉

Maar, die rare collega die uit de jeep stapte dus …

Ik moest eens komen kijken want de man had iets voor mij. Hij had een jonge ekster gevonden, op de grond, uit het nest gevallen. Of ik die net zoals mijn kipje kon grootbrengen? Wauw! Natuurlijk! Ik hield hem in een doosje en gaf hem allerlei lekkere hapjes. Wat ik hem gaf, weet ik niet meer maar hij groeide goed. Ik leerde hem mee naar buiten gaan, eerst huppelen door het gras. Later vloog hij zelfs. Maar hij bleef in de buurt. Ik gaf hem een naam: Jan. Vader maakte een hokje voor hem maar lang heeft hij daar niet in geslapen.

Hij werd volwassen en sliep liever in de bomen. ’s Morgens als het licht in de badkamer aanging, kwam hij op de vensterbank zitten. Hij tikte met zijn bek tegen het raam en kraste de twee woordjes die hij kende: “Kom” en “Jan”.

In die tijd ging ik met de bus naar school. Hij vloog mee naar de bushalte, wachtte tot ik op de bus stapte en vloog terug naar huis. Daar ‘ambeteerde’ hij ons moeder. Als ze de was aan de wasdraad wilde ophangen, pikte hij de wasspelden uit haar handen. Of die keer dat hij met onderbroeken van de buren naar huis kwam, daar kon ze echt niet mee lachen. Wij wel …

Hij wist goed wanneer de bus terugkwam. Dan vloog hij naar het kruispunt en ging zitten wachten op één van de daken. Met geschreeuw werd ik steeds verwelkomd. Roefelen in mijn haar, vond hij geweldig. Of op mijn schouder zitten en zo mee naar huis gaan …

Hij was een slimmerik en een deugniet. Jaren en jaren bleef hij bij ons. Tot hij op een bepaalde dag verdwenen was. Veel mensen hebben toen naar hem gezocht. Zelfs de vrouw die wekelijks met de groentekar kwam, keek op haar ronde naar hem uit. “Hij zal een lief gevonden hebben.” zei ik toen tegen iedereen.

Hoe het komt dat ik daar nu ineens aan terugdenk? Gisteren zag ik een toffe film op Netflix: ‘Penguin Bloom’. Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een ongeluk en een gevonden ekster. Echt een aanrader!

Helleborus

Begint het bij jullie ook te kriebelen? Het is al zichtbaar dat de dagen beginnen te lengen en dat doet deugd, vind ik.

De helleborussen staan hier al een tijdje te bloeien in de tuin. Elke dag ga ik eens kijken. Terwijl trek ik met mijn ogen het groen van de biobloembollen uit de grond.

Ik vind helleborussen of kerstrozen toffe planten. Heb ze al heel lang, van in onze vorige tuin. Ze beginnen rond kerst te bloeien en doen dat maanden lang. Ook als ze in zaad staan, blijven ze mooi. En lang houdbaar in bloemstukken.

Buurman heeft een hele donkere variëteit. (Eigenlijk had ik er een foto moeten van nemen) We ontdekken tientallen kleine zaailingen aan zijn voet. “Ge moet die opkweken in potjes jong!” zeg ik hem enthousiast. En prompt krijg ik er een heleboel mee naar huis. Het friemelen met dat klein, teer plantgoed werkt troostend. De tijden zijn hard nu maar de tuin en de ontluikende natuur biedt hoop.

Straf

Op 51-jarige leeftijd moeten straf schrijven. Wie dat al heeft voorgehad, mag nu rechtstaan. Nu staat ‘de dees’ dus recht.

Gewoon omwille van twee woordjes als reactie op de blog van Thomas Pannenkoek! Straf hè … Dit schreef hij:

Zeventien bladzijden straf. Je kunt kiezen: ofwel telkens hetzelfde lijntje schrijven: ‘Ik zal nooit meer mijn handen wassen in het wijwatervat’, of een verhandeling over ‘de kweek van patatten op de maan’.

Allee zeh, dat eerste kan ik toch niet doen?! Dan ben ik al mijn volgers kwijt. 😉 De verhandeling over ‘de kweek van patatten op de maan’ dan maar.

En nu zit ik hier schoon hè! Hoe begint ge daar nu aan?

In mezelf lachend met de ongebreidelde fantasie van meneer Pannenkoek, besluit ik eens te googelen. Ik val begot bijna achterover: de Chinezen zijn daar mee bezig! Ik wist dat niet. Dankjewel meester Pannenkoek, weer wat bijgeleerd.

In januari 2019 is er een onbemande Chinese ruimtesonde, de Chang’e-4 geland op de achterkant van de maan. Dat is de kant die wij vanop aarde nooit zien. Omdat de maan even snel rond haar as draait als rond de aarde zien wij steeds maar één kant. Op de achterkant zijn er veel meer kraters. Tussen de zuidpool en één van die kraters hebben de Chinezen hun ruimtesonde laten landen. Daarvoor hadden ze hulp nodig van een satelliet want de maan zat in de weg om radiocontact met de aarde te kunnen hebben.

En die patatten dan? Awel, zij hadden zaadjes van patatten mee! Ook katoenzaadjes, zijderupsen, fruitvliegjes en gist trouwens. Dat ecosysteempje hebben ze in een blik geplaatst op het maanoppervlak. In dat blik zit ook een buisje dat zonlicht binnenbrengt. De planten kunnen zuurstof afgeven waardoor de zijderupsen uit hun cocon komen. Zij produceren CO2 en afval waardoor de planten kunnen groeien. Slim bedacht hè! Makkelijk is het wel niet want de temperatuur op de maan varieert nogal sterk, 100°C overdag en -100°C ’s nachts. En de lage zwaartekracht heeft ook een invloed op de groei.

De katoenzaden zouden gekiemd zijn en groeien ondanks die moeilijkheden. Maar patatten op de maan? Dat zou nog niet gelukt zijn, meneer Pannenkoek. Eerst moeten de Chinezen uitzoeken hoe dat ecosysteempje zichzelf in evenwicht gaat houden. Bedoeling is dan in de toekomst eten te kweken in de ruimte, voor onderweg tijdens langere missies.

Dat ze maar doen hoor. Ik heb daar geen ambitie voor. Ik kweek mijn patatten in mijnen hof! Et voilà, mijn straf is ook geschreven. Is ’t goed zo, meneer Pannenkoek?