Maar dankzij die vlieg en dat kruid werd het terras geen sleur.
Dit voorjaar ben ik een paar avonden gaan ‘leren schrijven’. Het was een initiatief van kunstcollectief Stuifmeel uit Steenhuffel. In het cafeetje van Radio Tamara, naast de stoof, dompelde Herman Vander Straeten ons onder in de dichtkunst. Hierboven een limerick. Maar we leerden ook elfjes, haiku’s, woordspinnen en stiftgedichten maken. Samen spelen met woorden, ik vond dat plezant. En nu het buiten zo warm is om iets te doen, denk ik er terug aan.
Het variabel elfje is een inheemse zweefvlieg. En een gedichtje waard vind ik. Ze is slank en zwart-geel gestreept. De vliegjes vind je op diverse bloemen en hun larven eten bladluizen. Toffe beestjes dus die geen mens kwaad doen.
Heb jij goesting om deze zomer een uitdaging aan te gaan? Doe dan mee met ‘Niet meppen maar appen.’ Veel leuker dan de hype van enkele zomers geleden: Pokémons vangen en je helpt Natuurpunt om ons insectenbestand in kaart te brengen. Vang ze met je smartphone en via de app https://waarnemingen.be/apps/obsidentify/ kan je je foto’s opladen. Plezant!
We waren al een tijdje ‘Facebookvrienden’ maar hadden elkaar nog nooit in ’t echt gezien. Zijn profielfoto is een hommeltje en hij is een bijenspecialist uit Londerzeel: Jorge Stukkens.
Vorig najaar waren we aan ’t brainstormen met het bestuur van onze Veltafdeling welke activiteiten we dit jaar zouden organiseren. Wilde bijen determineren in een Velt-tuin, dat zou ik eens graag doen. Iedereen was mee enthousiast en ik mocht eens bellen naar de bijenspecialist.
Dit jaar ging dat niet lukken, zei die, want hij is een huis aan ’t bouwen. Maar in 2026 wil hij dat zeker eens komen doen met ons. Joepie! “En nu ik je toch aan de lijn heb, mag ik eens een voorstel doen?” vroeg hij.
Van dat voorstel werd ik helemaal blij! Jorge heeft gemerkt dat de mensen uit Londerzeel (allee, eigenlijk die van buiten Londerzeel ook maar hij wil in onze eigen gemeente beginnen) niet veel weten over wilde bijen. Daarom heeft hij een ‘bijenplan’ gemaakt. Dat zou hij graag verspreiden. Wij, als Tuinrangers komen in veel tuinen. Dus misschien zouden wij wel willen helpen om die kennis te delen? Heel graag natuurlijk. Maar hij moest wel weten dat we ons laatste jaar in Londerzeel bezig zijn. Het project Tuinrangers duurt maar drie jaren.
“Maar met Velt bereiken we ook veel mensen en wij blijven wel voortdoen”, opperde ik. Allee, van ’t een kwam ’t ander en we voelden dat we met onze neus in dezelfde richting stonden. Dit moesten we vertellen aan de duurzaamheidsambtenaar van onze gemeente. Zij is een fantastische dame en wij komen goed overeen. Dus we beslisten om haar samen met de Velt-mensen en Tuinrangers eens uit te nodigen zodat Jorge zijn plan uit de doeken kon doen. Gewoon bij ons thuis. Voor de bijen wilden wij onze living wel eens uitbreken want er kwamen 15 mensen luisteren. Jorge had een presentatie gemaakt die hij op onze tv kon tonen. Een drankje en een chipje erbij en de avond kon niet meer stuk.
Jorge vertelde zeer enthousiast en dat werkte aanstekelijk. Iedereen hing aan zijn lippen. Op een moment vroeg hij of iemand wist hoeveel soorten wilde bijen we in België hebben. Sommigen deden een gok. Maar het waren er veel meer. Wel 400, zei hij! Het was even stil en toen …
Ja, eigenlijk moet ik eerst vertellen dat jongste zoon zijn valkparkiet nog steeds hier woont. En dat zoonlief hem geleerd heeft om te fluiten naar de meisjes. 🙂
Dus, Jorge zei: 400! En toen deed Flapke de parkiet: “Pfie pfieuw!” We hebben allemaal gegierd van ’t lachen. Wat een timing!
Wist jij dat bijen vegetariërs zijn? Zelf eten ze nectar en voor hun kroost verzamelen ze pollen. Misschien heb je dat al gezien? Die gele klompjes aan hun poten of buik als ze van bloem naar bloem vliegen. En wespen zijn vleeseters. Zelf eten ze ook nectar. Maar voor hun kinderen jagen ze op muggen, vliegen en andere (plaag)insecten.
En wist je dat klokjesbijen slapen in de kelkjes van de klokjesbloemen? Zo cute! In de zomer moet je ’s avonds eens zo’n klokje opheffen en kijken, zei Jorge. Als mensen dat zouden weten, willen ze toch allemaal zo’n klokjes (Campanula) in hun tuin?
En wist je dat Slobkousbijen (wat een toffe naam trouwens) Wederik nodig hebben? Op Wederik planten zit een soort olie dat ze gebruiken om hun nest waterdicht te maken.
En wist je dat niet alle bijen steken? Alleen vrouwen doen dat. De mannetjes dienen juist voor de voortplanting dus die hebben geen angel nodig. Zou het in onze mensenwereld niet veel simpeler zijn als Poetin en Trump zich ook alleen maar daarmee zouden moeten bezighouden?
De sfeer was heel gezellig en wij genoten van al die verhalen. Ik wist niet dat de wereld van de wilde bijen zo boeiend is. Het werd een echte brainstormsessie over hoe we dat aan zoveel mogelijk mensen kunnen zeggen. Ook hier op de blog wil ik daar graag over vertellen. Zou jou dat interesseren? Want als we iets kennen, dan willen we het in stand houden en helpen. Aculea, de wilde bijen en wespen werkgroep van Natuurpunt begeleidt zelfs gemeentes om planten voor bijen te zetten. Onze duurzaamheidsambtenaar heeft al direct hun gegevens genoteerd. Ik heb het gevoel dat hier iets in gang gestoken is waar we het einde nog niet van gezien hebben. Zo plezant!
Vandaag vond ik een zeldzame salamander in de stilstaande waterzone van onze zwemvijver.
Sinds vorig jaar had ik al een vermoeden dat hij er voorkomt. Maar om hem te identificeren, da’s niet zo makkelijk. Ik voerde dus nu enkele foto’s in op Obsidentify en deze avond werd mijn waarneming goedgekeurd. Hij is het dus echt! Joepie!
Nu vind ik het dus zeker erg dat onze poelgracht achteraan in de tuin zo mismeesterd wordt. Sinds een jaar of tien komt de beerkar drie keer per jaar op de weide achter ons. Al het waterleven in de poel is verdwenen. Alleen enorm veel muggen zijn er nog. En het water zou ik kunnen verkopen als vloeibare meststof.
De loonwerkers die de mest komen uitrijden, begrijpen niet hoe schadelijk het is. Volgens hen kan het echt geen kwaad. Onze omgevingsschepen kan er niets aan doen. De boeren moeten nu eenmaal hun mest kwijtraken, grasland is daar perfect voor en het is wettelijk in orde. Een inspecteur van de mestbank kwam stalen nemen van de weidegrond en de concentratie mest is tot nu toe volgens de wet nog niet te hoog. Al zou er dringend wat moeten veranderen, zei hij ook.
We staan dus met onze rug tegen de muur. Al de kikkers, prachtige libellen en krinkelende winkelende waterdiertjes zijn we kwijt in de poel. En nu vond ik een zeldzame Vinpootsalamander in de vijver. Wat als die naar de poel trekt?
Ik heb een mailtje gestuurd naar Natuurpunt Londerzeel. Nu er hier een zeldzame diersoort zit, kunnen zij misschien helpen om het mestbeleid van de weide terug te veranderen? Ik weet het, ik ben een zaag. Maar ik zou zo graag alles doen wat ik kan om mijn steentje bij te dragen voor de natuur.
Een stralende zondagmiddag in oktober. De hemel kleurt helderblauw en de zon geeft nog enorm veel warmte. Klimaatopwarming is niet steeds kommer en kwel. Deze morgen had ik gezien dat de kafferlelies bloemen hadden. Dus een tuinsafari drong zich op. Sinds ik Tuinranger ben, benoem ik mijn gelummel en genieten in de tuin als safari. 😉
Op mijn hurkje, met mijn gsm in de aanslag, zit ik aan de vijver om een foto te nemen van de bloemen. Schizostylis coccinea ‘Mrs Hegarty’ is de naam van de variëteit. Ik kocht haar vorig jaar bij Lievesgarden ten voordele van Oekraïne.
Vanuit mijn ooghoeken zie ik een libel foerageren boven het water van de vijver. Nee, deze keer ging ik haar niét voor mijn lens proberen te krijgen. Ik ging niét ‘Tom en Jerry’ spelen en ik ging niét bijna in het water vallen. Mijn aandacht was op de bloem gericht.
Maar daar was dat ijdel beest het niet mee eens. Heel gracieus landde ze op mijn hand. Het was een bruinrode heidelibel. Verbaasd keek ik haar aan en draaide mijn hoofd een beetje. Zij draaide haar kopje ook. Ik draaide mijn hoofd naar de andere kant en zij deed hetzelfde. We bleven een tijdje naar elkaar kijken en met onze hoofden draaien. Had ik nu contact met een libel?! 🙂
Dan maar mijn camera (gewoon van de gsm he, maar camera ‘schrijft’ mooier) in de andere hand genomen en enkele plaatjes van haar geschoten. Daar was het haar om te doen. Rustig steeg ze weer op, cirkelde even rond mijn hoofd en vloog terug naar het water.
Het gebeurde half september dit jaar, na een lange, droge, warme zomer. Eindelijk regende het. Pijpenstelen!
Tussen twee regenbuien door was ik snel de kippen gaan eten geven. De zon kwam door de wolken gepriemd en ineens voelde ik een dikke modderspetter die op mijn broek kwakte. Dacht ik. Maar bij nader inzien, was het een ongelukkige hommel. Ze was helemaal doorweekt. Haar ‘pelsen frakske’ plakte tegen haar lijfje en ze trilde helemaal, ocharme!
Ik reikte haar mijn hand, nee een vinger en ze klampte zich vast en klom omhoog. Het lukte. Met haar voorpootje probeerde ze haar kapsel wat te fatsoeneren. Kwestie van wat deftig onder de mensen te komen, maar dat was tevergeefs. Haar haartjes geraakten alleen nog meer verfomfaaid. Ze zag er niet uit. Voorzichtig liet ik haar in mijn hand kruipen en maakte een kommetje zodat ze goed beschermd zat. Zo gingen we in de zon zitten. Dat deed haar zichtbaar deugd en ik kon haar een beetje beter bekijken. Het trillen verminderde en met haar voelsprietjes tastte ze m’n hand af. Met haar facetoogjes keek ze me aan. Of dacht ik dat alleen maar? Zachtjes haar haartjes droogblazen vond ze in ieder geval leuk. Met haar middelste pootjes wreef ze over haar rug, kopje en voelsprieten. Wist je dat zelfs daar haartjes opstaan? Zo’n schattige berenpootjes had ze.
De zon verdween weer en een volgende regenbui kondigde zich aan. Haar zomaar buiten achterlaten, kon ik niet over mijn hart krijgen. Maar haar mee naar binnen nemen, mijn huisgenoten verklaren me nu al zot.
Gelukkig was daar de serre. Ik had er zelfs nog bloemen staan. Stekjes die ik genomen had van Agastache. Ik heb haar wel even moeten porren tegen haar dikke kont maar uiteindelijk is ze toch op zo’n bloemetje geklommen.
Valt het op dat ik verliefd ben op hommels? Nu het winter is, mis ik ze verschrikkelijk in de tuin. Ik kijk al uit naar de lente als ze er weer zijn. Brommend en donzig, zoekend naar nectar. En vooral grappig onhandig als ze met hun dik lijf op een te frêle bloemetje willen landen en pardoes naar beneden tuimelen. Zaaalig! Vind jij dat ook?
Dat was de bedoeling: tien kuikens die ik zou opkweken. De kippen voor de eieren en de hanen voor het vlees. Ik ging mij daar niet aan hechten.
Ze waren al enkele dagen oud toen ze hier aankwamen, dus bang en schuw. Eerst sliepen ze in de living en als ze wat groter werden, in de garage in een konijnenhok.
Zondagavond waren we aan het aperitieven en jongste zoon vertelde hoe één van zijn vrienden bijna over mijn kuikens in de garage gevallen was. Nochtans een toffe gast hoor. Zo ene met dreadlocks die in een tiny house op recreatiegrond wil gaan wonen. Weet je wat die zei?! “Ja, uw ma, dat is ook een ‘zweefteef’ hè.” Ik verslikte mij begot in mijn zelf gebrouwen gin-tonic en de rest van het gezin gierde het uit.
Maar die ‘zweefteef’ heeft nu wel een probleem. Die tien asociale kuikens zijn nu zo’n zelfbewuste en aanhankelijke pubers geworden. Ondertussen wonen ze in het kippenhok en ze gebruiken al hun charmes. Een zieke kip uit haar lijden verlossen of een kwaaie haan in de pot draaien, dat kan ik. Maar deze schatjes?
Als ze mijn stem horen, komen ze alle tien aangevlogen. Ze kunnen maar niet genoeg krijgen van het scharrelen in het gras en als er ene een dikke pier gevonden heeft, is het kermis. Ik heb van hen ook al iets geleerd: als je pubers op de juiste manier aanpakt, willen die wél helpen. Het veldje schijnaardbei en kruipende boterbloem dat ik in het kippenhok vond, was met ons elven rap opgekuist.
Gaan slapen, dat is net zoals bij alle pubers, niet zo gemakkelijk. Ze hebben het deurtje van het nachthok nog niet gevonden. Maar als ik er dan aan ga zitten en hen roep, komen ze alle negen aangelopen en springen ze langs het trapje naar binnen. Eentje niet, dat is onze ‘dweize kiek’ (dwarse kip voor de Nederlanders 😉 ). Ze is de kleinste, is al enkele keren uitgebroken en ons alle hoeken van den hof laten zien.
Het is weer heel plezant, al dat jong leven hier. Ik vind dat Poetin er echt wel mag mee gaan ophouden. Want oorlogsvoedsel, dat gaan ze niet worden, denk ik.
Eerst effe een bekentenis: ik durf niet op de autosnelweg rijden. Werk er wel aan momenteel maar het blijft moeilijk.
Mensen durven zich daar wel eens vrolijk over maken. Als ik het al te gortig vind worden, zeg ik dan: “Durft gij een kieken slachten?” Dan stoppen ze wel met lachen. Allee nee, meestal lachen ze dan nog harder. Maar ik vind dat nuttiger dan op de autosnelweg durven rijden. Want als het oorlog wordt en het voedsel heel duur, zal ik eten hebben en zij niet. Zover mijn redenering.
Ik heb het ook niet zonder slag of stoot geleerd hoor. Als ‘kippenmoeder’ had ik af en toe zieke dieren die ik niet meer kon redden. Die dan laten creperen, vond ik vreselijk. Dan dacht ik aan hoe ik als student verpleegkundige de eerste keer een bloedafname bij een patiënt moest doen. Dat was ook vreselijk maar nodig. Als ik durfde bloed prikken bij mensen moest ik ook zieke kippen uit hun lijden durven verlossen, vond ik.
En toen hadden we die ene jonge haan die iedereen die maar in de buurt durfde te komen, aanviel. Het werd zelfs gevaarlijk voor onze peuterdochter. Een collega, ‘poeliersdochter’ heeft me toen geleerd een haantje ‘panklaar’ te maken. We hebben coq au vin van hem gemaakt. Zo’n fijn en lekker vlees kan je eigenlijk niet kopen. Sinds dan durf ik slachten. Niet dat ik het graag doe maar nood breekt wet.
En nu is het oorlog in Europa. En zag ik op de Tweedehands site een berichtje over poule de Bresse kuikens passeren. Ze waren enkele dagen oud en konden verder opgekweekt worden. De hennen voor de eieren en de haantjes voor het vlees. Ik heb tien kuikens gekocht.
Eerst zaten ze onder een warmhoudplaat in de living. Nu slapen ze in een konijnenhok in de garage. Overdag zitten ze onder een rennetje in het gras. Het rennetje is nog effe nodig om hen tegen eksters te beschermen.
Deze morgen ging ik met het hok in de handen naar buiten. O jee! In het vervolg moet ik de onderkant vasthouden. De bak schoot los en tuimelde op de grond. Ik had alleen de bovenkant nog vast en de kuikens fladderden naar alle kanten. Er bleven er vier verbaasd ter plaatse trappelen. Drie pubers repten zich richting Buggenhout. En drie sloebers schoten in de loop naar Steenhuffel. Daar ging ons oorlogsvoedsel.
Het ras Poule de Bresse is ontstaan in Frankrijk. De kippen hebben een rode kam, witte veren en blauwe poten, de kleuren die voorkomen in de Franse vlag. Ze groeien snel en met vier maanden zijn de hennen al aan de leg.
Dankzij de chicken run op zondagochtend was ik direct wakker. Van mij mogen ze snel groeien. Dan kunnen ze zo vlug mogelijk gewoon bij de andere kippen in de tuin.
Ik hol nog steeds achter de feiten aan door dat ene project. Maar gisteren was het er uiteindelijk toch van gekomen om de serre winterklaar te maken. Een maand te laat, ik weet het. Het enige wat ik nu nog kon proberen, was pluksla en veldsla zaaien.
Eerst begon ik met de laatste tomaten en komkommers te oogsten. De gele bes tomaat had niet zo goed opgebracht, vond ik. Nochtans hadden er veel bloemetjes op de struik gestaan. Tijdens het opruimen van de struiken zag ik ineens hoe de grond omgewoeld was en met een bergje lag.
Mmm, toch maar eens met mijn riek in geprikt. Vliegensvlug sprongen daar drie pluizige beestjes uit. Twee ervan vonden direct de weg door de open deur. De derde sprong, holde zichzelf voorbij en zoefde steeds voorbij de deur. Het beestje was helemaal in paniek. Hij had een glimmende, gezonde vacht met een beetje een rosse schijn. Dat kon ik al waarnemen terwijl hij me steeds maar voorbij rende.
Uiteindelijk, helemaal buiten adem kwam hij in een hoekje van de serre terecht. Voorzichtig bukte ik me en vroeg zijn naam. Hij antwoordde niet maar bleef me brutaal met zijn donkere oogjes aankijken. Dan maar een foto genomen en Waarnemingen.be vertelde me dat hij Apodemus sylvaticus heet.
Apodemus vertrouwde het echt niet. Trillend bleef hij me in ’t oog houden en ik hem. Het was een man, dat wist ik zeker. Want omdat ik zo bleef staren, werd ie helemaal onzeker. Hij begon zijn schattige handjes te wassen. Wilde hij een goede indruk maken op mij? Of zou hij me nu terstond een pandoering willen geven? Voorzichtig schuifelde ik een beetje dichter. Zoveel avances had ik niet mogen maken want Apodemus sprong op, liep vliegensvlug weg en verstopte zich onder een blaadje in de serre.
Daar moest ik geen moeite meer in steken, die zou ik toch nooit over zijn angst voor vrouwen heen krijgen. Dus besloot ik hem maar te negeren en ging ik terug verder tomaten plukken.
Apodemus deed me denken aan ‘Circle of life’ uit The Lion King. Hij hoort erbij. In het wild leeft hij ongeveer een jaar en staat op het menu van bosuilen en wezels. Maar ook vossen, marterachtigen, kerkuilen en ransuilen lusten hem. Die komen hier allemaal in den hof. Hijzelf is een opportunist en eet wat hij kan vinden. Maar hij eet ook slakken! In Groengenot zijn dat de enige beesten die een beetje té overvloedig aanwezig zijn.
Op een bepaald moment had Apodemus toch de deur gevonden. Want toen ik even opkeek door het raam, zag ik hem door den hof ‘sjeezen’. Hij had het hazenpad gekozen. Of was het het ‘bosmuizenpad’?
Eigenlijk heet ze voluit Katleen 2.0 want ik had al eens een Katleen toen ik tien jaar oud was.
Een foto van haar vind je hier. Katleen was een klein ‘Engels’ kipje dat ik tam gemaakt had. Ik ging met haar enkele jaren na elkaar naar de kinderjaarmarkt in Opdorp en kreeg steeds de eerste prijs. Op zo’n jaarmarkt werden alle dieren in een hokje gezet maar ik zette mijn kipje er bovenop. Het hokje zelf versierde ik met tekeningen en verhaaltjes en een heuse stamboom van onze kippen. Katleen mocht samen met de buurmeisjes en mij daar naartoe wandelen. We droegen haar in onze armen en dat vond die knuffelkip het allerleukst. Af en toe zetten we haar eens in de ‘graskant’ om haar behoefte te kunnen doen. 🙂
Sinds vorig jaar heb ik terug ‘een Katleen’. Deze keer is het een wit zijdehoentje. De kuikens die ik zelf kweek, zijn nogal handtam. Samen met moeder kip slapen ze in het tuinhuis in een hokje. Elke dag neem ik ze uit dat hokje en zet ze in een rennetje op het gazon. Daardoor zijn ze het gewoon om opgepakt te worden.
Katleen is een speciale. Als kuiken was ze al ‘haantje de voorste’. Ze was de kleinste van den hoop maar ze wist steeds eerst de lekkerste hapjes te bemachtigen. Deze winter verbleven de zijdehoentjes in de serre omwille van de vogelgriep. Als ik daar binnenkwam, kon ze niet rap genoeg bij mij zijn. Regelmatig botste ze gewoon tegen me op! Zo lomp dat dat klein geval was!
Katleen is zeer vrijgevochten. ‘Blijf in uw kot!’, da’s niet aan haar besteed. Onder de poort heeft ze de draad een beetje weggeduwd zodat er een gaatje ontstaan is waar zij alleen door kan. De haan vindt dat niet tof en als hij haar aanstalten ziet maken om erdoor te kruipen, pikt hij in haar staart. Maar dat trekt ze zich lekker niet aan hoor.
Als wij in de tuin komen, zien we haar een spurt trekken om zo snel mogelijk bij ons te zijn. De lieve wederhelft zegt dat ik haar een helmpje en pilootbrilletje moet kopen. Ze gaat echt eens op haar bek gaan, vrezen we.
Als we ’s avonds op het terras zitten, komt ze gezellig erbij. Bedoeling is dat ze naast de hond op de grond blijft. Gelukkig kan ze niet vliegen want ze zou zo graag ook in de zetel zitten. Reikhalzend met een draaiend kopje staat ze steeds te zoeken hoe ze daar toch zou in geraken. Als de hond dan nieuwsgierig wordt en haar besnuffelt, krijgt die een pik in de neus. De erge tik!
Enkele weken geleden heeft ze een vreselijk avontuur beleefd. We waren haar bijna kwijt. Karen, de vriendin waarmee ik ons boek schreef, was hier met haar hond Kiah. Onze hond Swenga en Kiah kunnen heel mooi samen spelen. We laten ze dat dus heel regelmatig doen. Maar Kiah is geen kippen gewoon. En dat wist ons Katleen niet. Ze was dus toch weer terug onder de poort geglipt. Ineens zagen wij Kiah wegspurten en hoorden we vlak daarna een vreselijke schreeuw. We holden naar van waar het geluid kwam, zagen daar een spoor van witte, donzige pluimpjes en Katleen in de bek van Kiah.
Alles gebeurde in een fractie van een seconde. Ik sprong naar de hond, trok Katleen uit haar bek en die hing half verdoofd te hijgen in mijn handen. De helft van haar pluimen weg, bijtwonden op haar rug en buik en een darm die uitpuilde. Die kon ik voorzichtig terugduwen en toen kwam ze bij. Coleirig dat ze was! Ze begon terug te schreeuwen, precies of ik kon er aan doen dat dit haar overkomen was. Het kieken!
Zo kon ze echt niet meer terug in het kippenhok. De wonden, daar zouden vliegen naartoe komen en ze zouden infecteren.
Karen, die was ondertussen helemaal van haar melk. Razend kwaad op haar hond en bijna huilend vroeg ze of ik nu kwaad was op haar. Allee! Ik ging toch niet een kieken tussen ons laten komen?! Die arme Kiah had ook alleen maar haar instinct gevolgd. Ik had er moeten aan denken dat Katleen niet in haar kot kan blijven.
Tijd voor actie dan. Katleen werd in een badje met babyshampoo gezet. Haar verwondingen vielen wel mee, zag ik. Die werden goed ontsmet en regelmatig ingesmeerd met een desinfecterende zalf die ik nog had van de hond. Ze mocht zelfs op hotel: in een konijnenhok in de living, op de hondenbench naast de valkparkiet van jongste zoon. (Die kan nu ook kakelen zoals een kip) Haar pluimpjes waren dankzij de babyshampoo stralend wit en mooi donzig geworden. “Alleen spijtig dat er maar zo weinig meer opstaan”, zei de lieve wederhelft. Ambiance hoor, zo’n kieken in huis 😉
“Bewijs dat ik me beter voel. Alleen ik kan zeggen dat ik een ei gelegd heb in de living. 😉 “
Katleen is helemaal hersteld nu. Ze draaft terug door de tuin en heeft het hoogste woord. Samen met mij wieden, vindt ze helemaal gezellig. Ik de ongewenste plantjes, zij de miereneitjes, slakjes en andere lekkere beestjes. Hebben jullie eigenlijk kippen? Ik zou ze niet meer kunnen missen!
’t Is weer de moment van het jaar. Iedereen griezelt in de periode rond Halloween. Wij doen dat nu.
In het vogelboske hangen slierten en webben. Jakkes! Sommige struiken zijn zelfs helemaal kaalgevreten. Het is een troosteloos en griezelig gezicht. En toch kan dit helemaal geen kwaad.
Hier is de kardinaalsmutsstippelmot aan het werk geweest. Dit is een klein wit nachtvlindertje met zwarte stippen. Je kan de vlinder waarnemen tussen eind juni en eind augustus. Dan legt die eitjes in onze kardinaalsmuts struiken. De eitjes overwinteren, er komen rupsen uit en nu, in mei tot eind juni zijn die actief.
Ze vreten onze struiken kaal en spinnen zich in draden om zichzelf tegen vijanden te beschermen. Dat is echt nodig. Hun grootste vijanden zijn kool- en pimpelmezen. En die zitten hier veel. Zij gebruiken de rupsen om hun jongen groot te brengen. Zo’n 50 tot 100 rupsen per jong vogeltje per dag plukken zij uit de struiken! Je begrijpt nu wel dat ik die rupsen koester he.
Eind juni zijn de mezen groot en hebben ze bijna alle rupsen opgegeten. Degenen die het gehaald hebben, zijn verpopt tot vlinder, leggen eitjes en zorgen zo voor voedsel voor de mezen voor volgend jaar. De struiken zijn weer ‘proper’ en krijgen terug blad. Na enkele weken staan ze terug gezond en frisgroen alsof er niks gebeurd is. Wonderlijk toch hè.
Vorige week sprak de buurman me enigszins bezorgd aan. Dat er buxusrupsen en spinnenwebben in zijn jong appelboompje zaten. En wat hij nu moest doen. Aha, dit waren geen buxusrupsen maar nog een andere stippelmot: de appelstippelmot. Zelfde verhaal hier. De mezen die aan ’t opgroeien zijn in zijn nestkastje eten hen op. Alleen moet je bij jonge boompjes of struiken wel even opletten. Als alle blaadjes van zo’n jong exemplaar opgegeten worden, kan de plant wel sterven. Om dat te voorkomen, kan je even de tuinslang op de klusters richten of hen handmatig uit je boompje plukken.
Dat het allemaal een kwestie van evenwicht is eigenlijk hè … en dat we zonder chemische bestrijdingsmiddelen dat evenwicht het best kunnen bereiken …